Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » ma 06 nov, 2017 13:11

Van het tropische noorden van Top End door de outback naar de groene kusten van Oost Australië.

Met een weekje vertraging dankzij de erbarmelijke wifi situatie hier in Australia:

Zaterdag 28 oktober

Onder een grijze lucht en bij een graad of 10°C vanmorgen vertrokken richting Mechelen. De trein naar Brussel Airport is mooi op tijd en 12 minuten later sta ik in de luchthaven, klaar om de bagage in te checken. Mijn grote koffer zit mooi op gewicht, maar mijn handbagage is te zwaar naar de normen van Etihad. Die mag namelijk maar 7kg zijn, en mijn kleine koffer weegt maar liefst 10kg. Doch ik mag er mijn tablets uithalen en ik steek ook mijn camera in mijn jaszak, waardoor ik op een aanvaardbare 8kg kom. Vervolgens dan de douane door en de veiligheidscontrole waarbij naast de tablets, ook de camera opnieuw uit de handbagage moet en de schoenen uit, de broeksriem mag deze keer aanblijven. Het is het begin van de herfstvakantie en dat is te merken aan de drukte, het is overal aanschuiven, maar ik ben zoals altijd ruim op tijd vertrokken en dus zoals voorzien 3u voor vertrek op de luchthaven aangekomen. Ook traditioneel: ontbijt op de luchthaven in afwachting van het boarden en het langs de taxfree shops slenteren.

Voor één keer verloopt het boarden erg vlot en wordt er geluisterd naar de grondploeg wat betreft de volgorde van inchepen. Voor de eerste 2 vluchten kon ik bij het boeken reeds de stoelen kiezen en dus heb ik één van mijn favoriete plaatsen kunnen vastleggen: eentje aan het gangpad zodat je zonder andere te storen gemakkelijk een keertje kan opstaan en de benen strekken. Ik stel mijn horloge al in op de lokale tijd in Abu Dhabi, zodat ik mij daarop al kan instellen en de effecten van de jetlag kan beperken. Ik kijk nog wat naar komische series op het entertainment center tot het middageten er aan komt. Daarna nog wat Tv kijken tot de slaap me overmand. Na een 6-tal uren komen we aan in de Verenigde Arabische Emiraten, waar het een aangename 31°C is en de schemer al ingetreden is. De lokale tijd is hier 19u50 en ik blijf hier in de transitzone tot ik mijn volgende vlucht neem van Abu Dhabi naar Perth in West-Australië. Die vertrekt om 22u15 lokale tijd en dus even tijd voor een sanitaire stop, wat window shopping en een berichtje naar het thuisfront.

Dit wordt een langere vlucht en dus hoop ik nog wat te kunnen slapen, ook nu stel ik opnieuw mijn horloge op de Australische zone in. Een Australisch koppel had de stoelenconfiguratie niet helemaal door en had mijn stoel ingenomen, maar dat lost zich zonder problemen op. Beter nog, als het boarden afgelopen is en de deuren gesloten, besluiten ze naar enkele vrije stoelen te verhuizen, waardoor ik zomaar even 3 stoelen tot mijn beschikking heb. Na nog een maaltijd en wat soaps kijken, probeer ik dan uitgestrekt op de 3 stoelen wat te slapen. Zoals gewoonlijk duurt het een hele poos voor dat lukt met alle vreemde geluiden en de ongewone lighouding, maar dankzij een overvloed aan kussens en dekentjes van de vrije stoelen, kan ik het me toch wat comfortabeler maken. Ik dommel in en slaap zo goed door dat ik zelfs het ontbijt heb gemist (of dat veronderstel ik toch), pas als men met het middageten langs komt wordt ik wakker, en ga even achter de stewardess aan om nog een maaltijd te claimen, gezien die al voorbij waren.

Zondag 29 oktober

Het is ondertussen ook al een dag later en na 1 ½ uur wordt de landing ingezet naar de luchthaven van Perth. Bij het inchecken in Brussel verwittigde men al dat de bagage in de eerste luchthave van aankomst in Australië, afgehaald en terug ingecheckt moest worden. De labels aan de bagage zijn echter al wel voor Darwin voorzien. Zowel het afhalen van de koffer als het passeren van de douane verloopt erg vlot, tot mijn verbazing krijg ik echter geen stempel in mijn paspoort. Ik moet zelfs mijn grote koffer niet openen en de handbagage wordt een keer met een snelle blik bekeken, waarna ik vriendelijk welkom wordt geheten in Australië. Toch prettig als de mensen wat vriendelijk zijn, ik heb het, vooral in de USA, al anders geweten. Wanneer ik mijn koffer opnieuw wil inchecken voor de vlucht van morgen, zoals vanmorgen werd gezegd in Brussel, blijkt dat niet mogelijk te zijn bij Virgin Australië. Liever dan de koffer bij de bewaar dienst af te geven neem ik hem dan liever mee naar het hotel. Eens buiten is het aangenaam warm zonder drukkend te zijn, ik contacteer het hotel om de shuttle dienst te laten komen en zoem even later met een minibus richting het Sanno Marracoonda Airport Hotel.

Het inchecken in het motelachtige hotel verloopt goed, maar als ik in de kamer kom, blijkt die niet in orde gebracht na de vorige bewoner. En dus keer ik terug naar de receptie, waar ik onmiddellijk een upgrade krijg naar een betere kamer. Ondanks toch heel wat geslapen te hebben is mijn biologische klok toch wat van slag en dat merken ze op het thuisfront als ik tot 3 SMS-en nodig heb om mijn goede aankomst in Darwin, of was het toch Perth, te bevestigen. Het is hier nu 14u lokale tijd en dus te vroeg om te gaan slapen, want dan zal mijn interne klok helemaal van de wijs geraken. Ik besluit om een eindje te gaan wandelen in de buurt, want het centrum van Perth is wat te ver af om te bezoeken. Een Duitse unimog camper staat even verderop geparkeerd, maar de eigenaars zijn nergens te bespeuren. Ondanks de nabijheid van de luchthaven ligt het hotel in een groene, rustige wijk. Met schrille kreetjes vliegen enkele groen met rode parkieten over me heen naar een boom, waar ze wat blijven poseren. Ook een eenden familie kruist mijn pad, en even later loop ik langs een speeltuin naar een enorme hondenweide, waar de huisdieren naar hartenlust kunnen rennen en spelen met soortgenoten.

Rond 18u begint de schemering al in te vallen en dus rep ik me terug naar het hotel, mooi op tijd om een stukje te eten. Een kaas-bloemkoolsoep gevolgd door een steak met pepersaus, frietjes, salade een frisdrank en een appelcrumble als desert later, keer ik met een opgeblazen maag terug aar de kamer. De temperatuur is met het verdwijnen van de zon ook gevoelig gedaald, maar dat is in dit geval geen slechte zaak om te slapen, dan hoeft de airco niet op.

Maandag 30 oktober

Virgin Australië zei me gisteren dat 22n uur voor vertrek ruimschoots voldoende was om aan te komen, maar ik vind dat persoonlijk toch wat nipt en zorg dat ik er al rond kwart voor 7 ben. Gezien het hier een nationale vluch betreft zijn er geen douane formaliteiten te vervullen en kan de bagage gewoon op de band gezet worden. Die is sinds gisteren wonderbaarlijk 1 kg zwaarder geworden, doch dat stelt geen probleem. Aan de veiligheidscontrole ontsnap je tegenwoordig ook niet meer bij een lokale vlucht, en dus gaat de handbagage net als ik zelf nog maar een keer door de scanner. De vlucht die me van West-Australië naar het Northern Territory brengt, duurt een 4-tal uurtje en opnieuw een wijziging van tijdzone. Tijd voor een ontbijt aan boord, gevolgd door wat lezen over Darwin in mijn Lonely Planet reisgids op de tablet.

Geen shuttle van het hotel deze keer, maar een busje met aanhangwagen die je, net als talloze andere voor 20€ naar de verschillende hotels van Darwin centrum brengt. Hier in Darwin is het niet alleen nog warmer, maar ook een stuk vochtiger, wat maakt dat het hier heel wat zwoeler is. In de kamer blaast de airco volop als ik de koffers binnen rijd, ik zet die alvast wat lager. Ondanks het aanlokkende zwembad van het hotel, neem ik eerst uitgebreid de tijd om de papieren van de camperhuur voor overmorgen een keer goed door te nemen. Daarna ga ik op verkenning in de stad, iets wat op beide vorige reizen dat ik hier kwam er nooit van gekomen is eigenlijk. Ik wandel langs de gerestoreerde ruïnes van wat eens het government house was en dat de cyclonen van de 19e eeuw en de bombardementen van WW II overleefde om alsnog door een cycloon verwoest te worden.

Mijn doel is het waterfront met zijn lagunes, ligweides, cruiseschipterminal en tal van restaurants en bars. De lagunes zijn momenteel zowat de enige plaats waar er in zee kan gezwommen worden wegens de aanwezigheid van stingers, kleine dodelijke kwallen met meters lange tentakels die je ernstig kunnen toetakelen. Deze zijn hier meer dan 6 maanden per jaar aanwezig, naast de zoutwaterkrokodillen die het ganse jaar aanwezig zijn. Die laatste beperken zich echter vooral tot de kreken. De lagunes worden beschermt door netten, doch 100% stinger vrij kan men niet garanderen. Er is hier tevens een golfslagbad waar golven worden opgewekt waarop je kan surfen. Ik wandel langs de pieren van de haven, neem nog een kijkje bij de WW II tunnels, gegraven als geheime opslagplaatsen van olie nadat de bestaande door de Japanse luchtmacht plat gebombardeerd werden. Ik keer via het houten government house en het parlement terug richting The Cavenagh Hotel, ook nu weer valt de duisternis weer snel in, het is 19u en wordt snel donker. Ik mis er bijna de Tree of Knowledge door, een heilige boom voor de aboriginals die hier leefden en als ontmoetingsplaats en “brievenbus” diende waar boodschappen werden achtergelaten.
Het bij het hotel horende restaurant en bar is mijn volgende doel, een voorgerechtje van kippensaté ’s met tzatziki en een salade met fetakaas later is het stilaan tijd om naar mijn kamer terug te keren. Nog wat tijd nemen om het reisverhaal op te starten en dan het bed in.

Dinsdag 31 oktober

Na een goede nachtrust vanmorgen redelijk vroeg opgestaan, ik wil dat ook proberen aan te houden voor de rest van het verlof om zoveel mogelijk van het daglicht te profiteren, zeker eens ik met de camper onderweg ben. Veel kan je dan immers niet meer doen, en veel verzet is er dan ook niet meer, dus beter aanpassen aan de lokale omstandigheden. Na een lekker ontbijt van fruitsla met yoghurt, toast met jam en vers fruitsap kan ik er tegen en ga op stap. Eerste bestemming Crocosaurus Cove. Een krokodillenpark zoals je er in Australië wel meer hebt, alleen ligt deze midden in de stad. In de reisgids staat het als bezienswaardigheid nummer 1 van Darwin vermeld, wat me wel enigszins verrast. Ondanks het vroege uur is het al serieus heet al loop ik hier in t-hirt en short met sandalen aan. Mijn hoed is dan ook geen overbodige luxe. Gelukkig kocht ik in Perth reeds zonnecrème in de taxfree zodat ik daar niet moet naar zoeken.

Croocoosaurus cove lijkt van buiten niets speciaal, en eens binnen is het niet veel meer dan een groot aquarium met in afgescheiden tanks telkens een erg groot exemplaar van de zoutwaterkrokodillen. Die zowel van boven in en uit het water, als vanonder via ruiten in de bassins kunnen bewonderd worden. Veel actie valt er niet te beleven want de prehistorische monsters liggen er nogal lusteloos bij. De bordjes die erbij hangen verklaren waar en waarom de reptielen gevangen werden. Deze diersoort is namelijk tegenwoordig beschermt, en mag niet gedood worden, behalve in geval van levensgevaar. Zo ook met deze 3, waarbij Axel zich onmogelijk maakte door zich te vestigen aan een bootramp en er een sport van maakte om de banden van de trailers die de vissersbootjes het water inreden, stuk te bijten. Zijn metgezel was berucht om de aanvallen die hij deed op de rivier varende bootjes waarbij hij zelfs de schroef niet ontzag. Voor er erge ongelukken plaatsvonden werd er besloten het dier te vangen en hier op te vangen.

Chopper kreeg zijn naam dan weer omdat er een deel van beide voorpoten ontbraken, waarschijnlijk bij gevechten om zijn territorium en zijn vrouwtjes te verdedigen tegen andere troonpretendenten. Zou hij niet gevangen geweest zijn, had hij het heel waarschijnlijk niet overleeft, deze opa van 90j oud. Dat is in het wild ook zo wat hun maximumleeftijd met een speling van een jaar of tien. In gevangenschap kunnen ze echter wel tot 130j worden. In het reptielenhuis zijn er allemaal diorama’s met levende slangen, waaronder de dodelijkste ter wereld, de Taipan en de 2e gevaarlijkste de bruine boomslang. Allebei hebben ze hun habitat hier in Australië, samen met nog wat even giftige spinnen en schorpioenen. Deze laatsten zijn hier niet te zien, maar wel nog een hele resem hagedissen, gilla monsters, mini draakjes en enkele schildpadden. Verbazingwekkend genoeg zijn de meeste hiervan wel een stuk levendiger dan hun grote broers.

Er wordt omgeroepen dat de voedersessie begint, een gebeuren dat soms erg enerverend kan zijn met uit het water schietende exemplaren, doch hier lukt dat slechts met enkele jonge delinquenten, hun logge grootouders laten de (kleine) brokjes vlees aan hun neus voorbij gaan. Een machine geeft met een mechanische krokodil de druk aan die de reuze reptielen kunnen zetten met hun kaken, een blok ijs wordt in een mum van tijd gereduceerd tot schilfers. Als extraatje kan je hier ook met krokodillen zwemmen, in een plexiglazen kooi of gescheiden van de dieren door een plexiglazen wand, wat op hetzelfde neerkomt als door de glazen wanden kijken van de aquariums, alleen wordt je dan niet nat. Misschien dat het er op foto (die je natuurlijk kan aankopen) wat spannender uitziet, maar daarmee is alles wel gezegd. De laatste zaal die ik bezoek heeft opgezette exemplaren van krokodil-achtige van over de hele wereld, maar noch de kaaimannen, noch de nijlkrokodillen kunnen typen aan de afmetingen van de salties hier (al had ik ergens in het achterhoofd dat nijlkrokodillen normaal de grootste worden).

De uitgang gaat via de souvenirshop waar naast vele prularia in de vorm van of voorzien van een afbeelding van een krokodil, ook krokodillenvlees voor de BBQ verkocht wordt (mag alleen van gekweekte dieren) en krokodillenleren artikelen. Terug in de middaghitte wandel ik naar het Bicentenial Park dat langs de kust loopt, in de hoop op wat schaduw en een zuchtje wind. Typisch in deze parken, groepjes aboriginals die onder de bomen gelaten de hitte ondergaan. Duidelijk niet de meest succesvolle mensen van hun ras, die zich niet meer thuis voelen op de gronden van hun voorouders en bij hun stamgenoten met meer culturele bagage. Maar het ook niet hebben kunnen waarmaken in de “blanke” maatschappij. Tussen wal en schip gevallen, lopen ze er verwaarloosd bij, sommige duidelijk onder invloed. Voor hen zijn ook de nauwelijks verholen racistische bordjes bedoeld met “No shirt, no shoes, no service”, die je vooral bij bars en drankwinkels terugvindt. Al moet gezegd dat daarmee evengoed de blanke zwervers en bedelaars, die je hier ook tegen komt, worden geweerd.

Voorts in het park heel wat sportinfrastructuur en enkele speeltuinen die beiden gretig gebruikt worden, zelfs op deze werkdag. Natuurlijk ook vele uitzichten op de Koraalzee, van waaruit in WW II de Japanse luchtmacht de aanval op de havenstad inzette. Op het einde van het park ligt Aquascene, waar op regelmatige tijden massaal vissen gevoederd worden, die dan ook massaal de baai in zwemmen. Daarom is vissen hier ten strengste verboden met zware boetes (10.000A$) bij overtredingen. Bedoeling is om de vissen een veilige haven te bieden, zodat hun aantallen toenemen. In de verte hoorde ik al enkele malen de donder rommelen, maar bij het uitkomen van het park kleurt de hemel staalgrijs en begint het te regenen. In tegenstelling tot gisteren, liet ik mijn regenjasje vandaag natuurlijk in het hotel en het druppelen gaat al snel over in een tropische storm met rukwinden, regengordijnen, bliksem en donder. Geen bars of andere schuilplaatsen hier aan de rand van de stad. Ik moet het doen met een smalle dakrand en na een spurt tussen twee buien door, het lekke afdak van een definitief gesloten garage.

Na wat wel een eeuwigheid lijkt, vermindert de hoosbui in gewone regen en loop ik via een dranken drive-in naar een restaurant annex bar, annex gokkantoor waar ik even opdroog bij een glaasje frisdrank. Net als de Britten zijn vele Australiërs enthousiaste gokkers en je vindt in elke stad dan ook enorm veel gokkantoren, waar op zowat alle sportuitslagen kan gewed worden, met vele tv schermen met uitzendingen van voetbal, paardenrennen, tennis, American- en Aussi footbal, rugby, autoraces en nog veel meer. Er lopen constant Keno spelen en er zijn ook altijd gokmachines te vinden, en niet toevallig ook ATM’s natuurlijk… . Erg verontrustend allemaal eigenlijk, als je weet dat dit toch een groot probleem is hier ten lande.

De regen houdt eindelijk helemaal op en omdat het ook opklaart besluit ik verder te wandelen naar de Botanische tuin van Darwin, waar er onder andere vele door de aboriginals gebruikte planten staan, die naast voor voeding ook voor genezing en culturele zaken gebruikt werden. Ook veel palmachtige, varens en zelfs enkele Boabs of Baobabs, en de heilige Banyan tree’szijn aanwezig. Deze laatste is zowel bij de oorspronkelijke bewoners van Australië als in heel Polynesië trouwens een boom waaraan speciale krachten worden toegekend, die nauw in verband staan met de voorouders. Ook vele prachtige bloemen die bij onze bloemisten hoge prijzen scheren en zelfs een groeihuis voor allerlei soorten Bromelia’s. En deel van het park is afgesloten voor verfraaiingswerken en dus moet er rond gelopen worden om bij de gedeeltes regenwoud, schaduwtuinen en Tiwi gardens (naar de gelijknamige eilanden) te komen.

Het in nu nog maar een kilometer naar het Northern Territory Museum & Art Centre, door de regen is het weer nu wel erg zwoel geworden en de airco in het museum is dus welkom. Ik begin met de zaal met aboriginal kunst, vooral stippelschilderijen, die de laatste jaren erg in zwang zijn gekomen bij niet aboriginals, maar in hun eigen cultuur al duizenden jaren terug te vinden zijn in rotsschilderingen over de droomtijd, naast de reeds gekende röntgen schilderingen. Een film verteld over 2 bekende aboriginals die onder impuls van die belangstelling de kunst opnieuw doen opleven hebben en hun oude kennis op hun beurt doorgegeven hebben aan jongere generaties. Dit is maar één van de tekens dat er eindelijk na eeuwen van miskenning, wat erkenning komt voor de cultuur van de oorspronkelijke bevolking. Al proberen sommige met vervalsingen daar dan ook weer geld uit te slaan en gaan de prijzen van echte kunststukjes de hoogte in. Ee ander teken is ook het opnieuw in gebruik nemen van de oorspronkelijke benamingen van de Nationale Parken, in 1996 tijdens mijn eerste reis in het land werden die omzeggens bijna nooit gebruikt.

Een tweede deel van het museum toont beelden van het leven in de outback, die heel wat later gekoloniseerd werden dan de kust(en). Van toen de outback nog heel erg ontoegankelijk was en een reis ernaartoe omzeggens een expeditie. Het Maritieme gedeelte van het museum moet het zonder airco stellen, maar de Paarlboot, Vietnamese vluchtelingenboot, enkele (outrigger)kano’s en een prachtig beschilderde Filipijnse boot maken dat goed. Op dan naar de afdeling natuur met een overzicht van lokale (opgezette) dieren van vroeger en nu, waarbij een grote opgezette krokodil niet mag ontbreken natuurlijk. Gevolgd door een tentoonstelling over Darwin onder Orkaan Tracey die de stad grotendeels verwoestte. Als laatste is er dan nog een tijdelijke tentoonstelling van een Australisch kunstenaar. Al met al heb ik voor vandaag wel genoeg gewandeld en ik ben dan ook blij te vernemen dat er enkele honderden meters verderop een bushalte is, vanwaar ik snel en comfortabel terug naar het centrum van de stad gebracht wordt.
Ik probeer nog wat af te koelen in het water van het zwembad in het hotel, maar dat is even warm als de buitenlucht. Het feit dat een van de waterdichte lampen nog werkend op de bodem ligt, in plaats van in de zijwand, is ook wel een beetje verontrustend, maar ik slaag er in van niet geëlektrocuteerd te worden. Als de schemering intreed keer ik naar de kamer terug en maak me klaar voor het avondeten. Dat worden miniloempia’s met zuurzoete saus, gevolgd door een rundsschnidzel en een Belgische Export Stella, in het juiste glas. Vannacht dan de laatste nacht in een hotel, morgen de camper afhalen!

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » ma 06 nov, 2017 13:13

Woensdag 1 november

Opnieuw een stevig ontbijt vanmorgen en vervolgens een taxi genomen om me naar het verhuurdepot van Apollo te laten brengen. Indien ze niet verhuisd zijn ondertussen, zou dat op dezelfde plaats moeten zijn waar ik in 2013 mijn Cheapa camper afleverde na mij reis langs de Westkust van Perth naar Darwin. Eens daar aangekomen herken ik inderdaad het nogal wat sjofele gebouw, en er staan zelfs enkele Toyota Pick-Up campers zoals ik er toen eentje huurde. Deze keer is het jammer genoeg geen 4X4 camper, gezien deze aan de Oostkust niet verhuurd worden en ik gekozen heb voor een “relocation”, dat zijn campers die in een bepaald depot overtallig zijn en voor het hoogseizoen (december in dit geval) naar andere depots van dezelfde verhuurder moeten gebracht worden. Dit aan veel voordeligere prijzen dan de normale huurprijs en bijkomende extra’s zoals geen drop-off koste omdat je de camper ergens anders afzet dan waar je hem opgehaald hebt, wat ook weer een slok op een borrel scheelt.

Enige nadeel dus dat je moet kiezen uit wat beschikbaar is, in mijn geval een Endeavour camper met 4 slaapplaatsen, maar zonder toilet of douche en, zoals ik bij eerdere camperhuur ook al mocht ervaren, moet je die 4 personen met een dikke korrel zout nemen. Er zijn weliswaar 4 slaapplaatsen (1 dubbel onderaan, 1 dubbel bovenaan in het verhoogde dak), maar het tafeltje is maar geschikt voor 2 personen, en waar je bagage voor al die mensen moet laten is mij een raadsel. Ik moest zelf al mijn koffer op het bovenste bed zetten tussen alle lakens, dekens en kussens en de campingstoelen en tafel. Het herinnert me er nog maar een keer aan hoe doordacht de inrichting van mijn eigen camper is, die niet echt groter is, maar o zoveel comfortabeler. De motor is een 2,7 liter benzine, met automaat, benieuwd wat dat gaat verbruiken. Na het afhandelen van de administratie, met onder andere een verhoging van de verzekering zodat er geen waarborg van 5000A$ moet betaald worden, die komt te vervallen in geval van een ongeval, ga ik dan op weg.

Eerste stop, zoals altijd bij het afhalen van een camper, is de supermarkt om etenswaren, drinken, verzorgingsmiddelen en enkele kleine broodnodige zaken aan te schaffen. 200A$ later rijd ik met een volle kar de winkel uit en probeer alles kwijt te raken in het piepkleine ijskastje en dito keukenkastjes. Wat wonderwel lukt, en dan kan de trip echt beginnen. In Darwin heb ik alles gezien wat ik wou zien en bovendien is het met al dat gedoe al bijna middag, dus hoog tijd om de baan op te gaan. De eerste paar dagen zullen dat vooral hernieuwde kennismakingen zijn met plaatsen die ik op 2 van de 3 vorige Australië reizen al bezocht, maar die zo de moeite waard zijn dat ze nog wel een 2e of zelfs 3e bezoek waard zijn. Twee zaken die ik me nog levendig herinner van die reizen, kom ik al direct tegen op de Stuart Highway, de Roadtrains (vrachtwagens met triple opleggers) die doorheen het land denderen en achtergelaten, in elkaar gereden of uitgebrande autowrakken, langs de kant van de weg. Gestolen, achtergelaten na een ongeval, sluikstorten, wie zal het zeggen?

Eerste bestemming op de agenda, het Berry Springs Natuurpark, een park met wandelpaden, picknick plaatsen en enkele veilige (= “waarschijnlijk” krokodilvrije) zwemvijvers. Waarschijnlijk omdat dit niet kan gegarandeerd worden in het natte seizoen, omdat de zoutwaterkrokodillen dan met het hoge water over barrières komen, waar ze anders niet voorbij geraken. En gezien deze dieren een eigen territorium hebben waar ze geen andere mannetjes toelaten, moet er dus op zoek gegaan worden naar nieuwe plaatsen. En ondanks hun naam vind je die zoutwaterkrokodillen niet alleen in zout, maar ook in zoet water. De bescherming hiertegen? Geheel in Aussi stijl: een bordje dat waarschuwt dat men oplettend moet zijn, No worry’s mate, waarschijnlijk is er niets aan de hand! Maar eerlijk is eerlijk, eens er eentje wordt gespot, worden de bordjes aangepast. Ondanks dat het heldere water er erg aanlokkelijk uitziet bij deze hitte, heb ik deze keer geen tijd om er een duik in te nemen en blijft het bij enkele foto’s maken. Ik zie ook weer enkele leden van de Australische fauna opduiken zoals een soort ibis en mijn eerste witte kaketoes van deze reis.

Enige kilometers verder ligt het Territoy Wildlife Park, een wildpark, met alleen Australische diersoorten. Ik ben juist op tijd om een voedersessie van enkele vissoorten bij te wonen en neem als late lunch dan maar een ijslolly voor onderweg mee. Even later zet het treintje mij en enkele medetoeristen af bij de Aloo Sandbar. Waar een Ranger ons al staat op te wachten. De sessie begint met het voeren van de Barramundi, een bij de aussi’s geliefde vis om op te vissen en op te eten. Het zijn wel luidruchtige eters, want ze zuigen als het ware de kleine visjes op, met een ploppend geluid tot gevolg. Vervolg is het de beurt aan de whip ray’s een soort stekelrog die heel sierlijk met hun op en neer golvende rand van hun lichaam wel lijken te dansen. Enkele vinnige zwart gestreepte vissen weigeren hun bijnaam als spitter eer aan te doen, om mogelijke prooien vanaf het wateroppervlak naar beneden te schieten. De gezamenlijke vijanden van al deze vissoorten, hebben ze wijselijk niet bij hen gezet, maar er wordt wel een jonkie aangebracht met zijn lange snuit dicht getapet. Altijd prettig een keertje een krokodil te mogen strelen, al is het dan een jonkie van enkele maanden oud…

Daarmee zit de voederssessie er op en kies ervoor op de rest van het park al wandelend te verkennen. Dat begint met de Dingo’s, (ver)wilde(rde) honden die ooit, samen met de Aboriginals, Australië koloniseerden, lang voor enige blanke het continent nog maar ontdekte. Deze dieren hebben vanmorgen al een voedersessie gehad en nu schuilen ze in de schaduw van enkele bomen voor de hitte van de dag. En dat het warm is, mag gezegd worden, de temperatuur gaat weer vlot over de 30°C, gelukkig liggen de wandelpaden grotendeels onder de bomen, zodat de schaduw daarvan de hitte wat tempert. Ook wat weldadige afkoeling is te vinden in het aquariumhuis, met nog meer Australische vissoorten, en zelfs enkele aquariums met kleurige koralen en tropische vissen, die ik al ken van het Great Barrier rif en mijn reizen naar Frans Polynesië en Hawaii. Hoogtepunt hier is de doorzichtige plexiglazentunnel, waar je als het ware door een aquarium loopt. Wel lijkt dit veel minder vissoorten te bevatten dan enkele jaren geleden, toen er zelfs kleine haaien inzaten.

Terug verder langs de billabong, de Australische benaming voor een kreek, waar er een troep pelikanen grote sier maken. Zowel op land als in het water, aan de kleur en de grote is duidelijk te merken dat het hier een andere soort betreft dan hun Zuid-Amerikaanse soortgenoten. Vooral hun rozige bekken vallen daarbij op, naast hun spierwitte verenpak. Terwijl ik verder door het Monsoen forest wandel, hoor ik overal om me heen de geluiden van de dieren, krijsende en klaterende geluiden van vogels, soms snerpend, soms heel muzikaal en het constante zingen van cicaden die lijken mee te deinen op de golven van de hitte. Een krakende tak of geruis van bladeren duid aan dat één of andere bewoner mij sneller in de gaten kreeg, dan ik hem of haar. Soms zie ik nog juist een schaduw verdwijnen, zonder te kunnen vaststellen wat voor beestje het was. De beestjes die ik wel constant, zie, hoor en voel, zijn de vele insecten die je geen seconde rust gunnen. Volgende keer mijn hoednet op, al staat dat dan nog zo belachelijk, dan kruipen of vliegen die geniepigaards al niet meer in je haar, ogen en oren of mond. Één van de mooist delen van het park zijn de aviary’s, enkele kleinere en één grote vogelkooi, waar je door wandelt. De vogels zijn in principe dezelfde als deze die vrij rondvliegen, alleen kan je ze hier door de beperkte ruimte veel beter bekijken en dan komen de felle kleuren veel meer tot hun recht, net als hun gezang trouwens.
Het volgende afgezette gedeelte herinner ik me nog goed van de vorige reis, hierin zitten verschillende soorten kangoeroes en walibi’s, toen slopen die kereltjes of dametjes als je met hun rug naar hen toe stond op je af om je onverwacht met hun snuit in de rug te porren en er vandoor te gaan als je je omdraaide. Best wel grappig. Nu hebben ze er blijkbaar geen zin in en schuilen ze waarschijnlijk ergens stilletjes onder enkele struiken voor de warmte. Al laatste neem ik nog een kijkje in het Nocturnal house, waar het lekker koel en donker is en je met een beetje geluk in de terrariums te zien krijgt wat er ’s nachts zoal rondsprint en -loopt als wij slapen. Veel knaagdieren, kleine kangoeroesoorten, maar ook reptielen en hagedissoorten, padden en kikkers. Weer buiten begint het te rommelen en trekt de hemel dicht, het lijkt dat er weer onweder op komst is. Hopelijk raak ik nog terug bij de auto voordat het losbarst.

Dat lukt, meer nog, het lijkt vals alarm deze keer want op enkele eenzame druppels na breekt de regen niet door. Het is ondertussen al 16u en het lijkt erop dat ik mijnvolgende bezoek niet volledig zal kunnen afronden zoals voorzien, Het Litchfield Nationaal Park is nog een goede 30km verderop en dan is er nog 100km in het park te doen met de nodige stops en wandelingen. Ik besluit alvast naar de ingang te rijden en dan te kijken hoe het ervoor staat. En zo sta ik een tijdje later voorbij Batchelor aan de parkingang, een sluitingstijd is er hier niet een toegangsticket is er evenmin te betalen. Ik opteer ervoor om verder te rijden naar de magnetische termietenheuvels, deze noord-zuid gerichte platte termietenzuilen, staan niet zo door één of andere magnetische gevoeligheid van de termieten, zoals gesuggereerd wordt door hun naam, maar gewoon omdat ze aldus de minste zonnewarmte opvangen zodat hun woonst koeler blijft. Een nadere soort lost dat dan weer op door de termietenheuvel veel volumineuzer te maken , zodat de warmte niet doordringt tot de kern.

Na dit bezoek moet ik echt wel gaan beslissen wat ik doe, keer ik terug naar Batchelor en zet mij op de camping die ik voorzien had voor na het bezoek aan het park, waardoor ik morgen 100km meer op de teller moet zetten om op planning te blijven? Of rijd ik door en neem ik genoegen met een basic camping in het park, zodat er mij morgen “maar” 50km meer rest te doen? Ik opteer voor het laatst en kom bij invallende schemering op de camping van Wangi Falls aan. Even de zelfregistratie doorlopen (een enveloppe waarop je jou gegevens en de van de camper schrijft, het vermeldde bedrag in steekt en in een soort brievenbus stopt), waarbij ik nog even een briefje moet wisselen bij de vriendelijke camping host. En daarna naar de douche, want het zweet loopt letterlijk en figuurlijk van mijn lijf, nu de warmte van de dag overgegaan is in een uiterst zwoele nacht met hoog vochtigheidsgehalte. Veel helpt het niet want 5 minuten later sta je terug volledig in het zweet, en zelfs het “koude” water is erg warm, van een hele dag in de zon in de watertanks te zitten.

Daarna moet ik dan nog de camper wat herschikken zodat alles zijn definitieve plaatsje krijgt, ook bevorderlijk om het transpireren nog meer te activeren in de hete camper. En tenslotte een blik Ierse stew klaarmaken en zo de hitte helemaal ten top te drijven. Hijg, zweet ende puf. Nog even gaan afwassen, bed klaarleggen en eindelijk tijd voor wat rust. Rond middernacht koelt het dan een beetje af, genoeg om te kunnen slapen.

Donderdag 2 november

Vanmorgen liep het klokje af om 6u, de temperatuur is nu nog aangenaam en bij een tochtje naar de sanitaire blok verras ik zelfs enkele kleine grijze kangoeroes die lopen te grazen. Natuurlijk geen camera bij de hand en na de sanitaire stop dus terug naar de camper om die op te halen en een rondje om de camping te maken die voor de rest nog in volle rust is. Gelukkig krijg ik er nog enkele goed in beeld, van één raadselachtige schaduw vermoed ik dat het een emoe was, maar die laat zich niet meer zien. Nog maar een keer een douche, ontbijten en dan de plannen voor vandaag doornemen. Het laat zich aanzien dat het weer een erg warme dag wordt en gezien dit waarschijnlijk de laatste keer is deze week dat ik de kans krijg om in een natuurlijke poel te zwemmen of alleszins af te koelen, wil ik die niet zomaar laten voorbijgaan. Dus neem ik zwemgerei mee naar de Wangi Falls op 300m van de camping. De camping host verzekerde me dat ik mijn spullen gewoon veilig aan de kant laten liggen en zo gebeurt het ook.

Het Litchfield National Park is eigenlijk een hoogplateau, waar langs de randen watervallen ontstaan die constant water aanleveren dat dan onderaan verzamelt in klaterende stroompjes en meren. Ook zo bij de Wangi Falls waar 2 watervallen in het meer klateren van een respectabele hoogte. Volgens de laatste observaties is het meer krokodilvrij, en anders merk ik het als eerste, want er is nog niemand in het meer. Mede door de watervallen en de stroming is het meertje heerlijk verkoelend, als na een half uurtje meer en meer volk opdaagt, vind ik het wel goed geweest en trek ik verder. Ook nu ga ik op zoek naar enkel watervallen, Cascades genoemd, een mooi pad door de bossen en vervolgens over de rotsachtige wanden van een kleine kloof brengt me bij een kleine waterval van enkele meters hoog, hier is het vooral de omgeving van het riviertje die de moeite waard is. Uit een hoop grond werpt iets iemand of iets zand omhoog, het blijken een koppel hoenderen, en ik herinner mij daarover gehoord te hebben op vorige reizen hier. De kleine dieren kunnen heel wat grond verzetten blijkbaar.

Enkele 10-tallen kilometers verderop ga ik op weg naar de Tolmer Falls, geen zwemmogelijkheid hier omdat de kloof met grotten waarin ze tuimelt, een habitat is van maar liefst 3 soorten vleermuizen die er nestelen. Maar het uitzicht van op het viewpoint is wel de moeite van de korte wandeling waard. Nog vergeten dat ik hier gisterenavond ook nog even halt hield om een mooie foto van de zonsondergang te nemen. Met enkele daze-steken als extra, maar die zijn er nu blijkbaar niet meer. Terug naar de auto maar weer en verder naar de Buley Rockhole, een reeks van natuurlijke bassins, prettig om in te springen of af te schuiven, een beetje soft canyoning als het ware… . Niet aan te raden tijdens onweder of regen, want dan veranderen de bassins in een razend kolkende rivier. Nu zien ze er in elk geval erg aanlokkelijk uit, en het idee van nog een verfrissende duik komt opnieuw bovendrijven, die voorzie ik bij de laatste stop in het park.

De Florence Falls donderen met zijn tweeën eveneens in een canyon, die ze trouwens zelf gecreëerd hebben met hun geweld. Ik neem eerst een kijkje bij het viewpoint voor enkele foto’s en keer terug naar de camper om zwemkledij aan te trekken, ik neem een blikje fruitsla mee als middagmaal en daal vervolgens via 135 trappen af naar de bodem van de kloof en de lekkere frisse poel. De temperatuur meter op het dasboard van de auto gaf daareven 37°C aan dus een verkoelende duik is best welkom. Het zuchtje wind, gecreëerd door de watervallen, en de schaduw van de talrijke bomen zorgen voor een aangenaam microklimaat, ideaal voor de lunch. Enkele waaghalzen beklimmen de kloofwand om van daaruit in de poel te springen, een gevaarlijke onderneming, want op verschillende plaatsen zitten er grote rotsen onzichtbaar op enkele centimeters onder het wateroppervlak. Gelukkig vallen er geen gewonden. Na mijn lunch plons ik ook in het water en geniet ten volle, na een half uurtje moet ik echter echt weer verder, zeer tegen mijn zin. Ik kom tot de vaststelling dat ik mijn handdoek in de camper vergeten ben, maar de wandeling is genoeg om droog bij de camper aan te komen.

Daarmee beëindig ik mijn bezoek aan het Litchfield NP en rijd opnieuw richting Darwin om de afslag naar de Arnhem Highway te nemen, ondertussen mag ik ook al een eerste keer gaan tanken. Wanneer ik de GPS instel op mijn eindbestemming voor vanavond, volgt er nog een onaangename verrassing, de Aurora Kakadu campground ligt maar eventjes 110km verder dan berekent, daar is iets heel erg mis gegaan bij mijn voorbereiding. Een ramp is het niet, maar het betekent vrijwel zeker dat ik weer in de schemering zal aankomen. Veel oponthoud heb ik niet meer, behalve nog een kleine zijsprong naar de Marie River Billabong in het gelijknamige Marie River National Park. Er vallen nog enkele druppels regen die me watt zorgen baren op d 4km zandweg van en naar de kreek, maar gelukkig zet de regen niet door. Stilaan zakt de zon dieper en dieper, de weg ligt bezaait met roadkill, aangereden dieren, die op hun beurt roofvogels aantrekken, die pas opvliegen als je vlak bij hen bent.

Dit zijn de gevaarlijkste momenten op de weg, want de dieren ontwaken uit hun lethargie en worden actief, en wat te verwachten valt gebeurt dan ook, 500m voor mijn kampplaats springen 2 kleine grijze kangoeroes voor de camper de straat over, en ondanks ik al vertraagt was om de afslag te nemen en een noodstop, raak ik de 2e kangoeroe nog. Ik hoor met een misselijkmakend geluid hoe het dier een paar keer tegen de boden van de auto knalt en zie hoe het strompelend van onder de camper zijn kameraad achterna gaan, maar ik vrees dat het beestje er niet goed aan toe zal zijn. Op de parking van het pompstation, annex camping, shop en motel/restaurant, lijkt er wel een remake van de klassieke Birds thriller van Alfred Hitchcock in de maak. Honderden witte kaketoes maken er een kabaal van jewelste, jagen elkaar na van boom tot boom en palmen een enkele plas water in. Hopelijk slapen die vogels ’s nachts! Ik koop mijn parkpas bij een vriendelijk jong meisje en betaal ineens ook de camping. Na het aansluiten van de elektriciteit ga ik dan naar het restaurant, uit wiens karige menu ik uiteindelijk …. Kangoeroe kies.
:dance:
Na de ondanks alles, lekker maaltijd, lijkt de stilte eens buiten weergekeerd, maar regelmatig worden de troepen vogels blijkbaar verstoord en ontstaat er een gekwetter van jewelste, door de nog steeds aanwezige hitte is slapen met gesloten vensters echter ook geen optie, en veel zal dat mijn inziens ook niet helpen. Omdat slapen toch geen optie was, dan maar de achterstand in het reisverhaal ingehaald. Het is uiteindelijk Kwart voor één als ik het licht uit doe.

Vrijdag 3 november

Na het aflopen van het klokje om 6u, blijf ik nog een half uurtje liggen luisteren naar de geluiden om me heen, deze keer geen kaketoes, maar ganzen die van hun neus maken. Door de extra kilometers die ik gisteren maakte, heb ik vandaag een rustigere dag, want diezelfde kilometers gaan vandaag dus van het totaal af… . Om half zeven dan toch maar opgestaan en gaan douchen en ontbeten en dat kan voor een keertje met alle deuren open, gezien er hier voor het moment minder insecten lijken rond te vliegen. Bij het vertrek kan ik het niet laten om eerst even een stukje terug te rijden om te zien of er nog een spoor is van de aangereden kangoeroe van gisteren, en helaas is dat zo, het diertje ligt dood in de graskant. Bij het verlaten van de camping rijd ik trouwens weer door een wolk van opvliegende witte kaketoes. Die zijn echter snel genoeg om de camper te ontwijken. De Arnhem Highway heeft hier trouwens een snelheidslimiet van maar liefst 130km/u. Ik wil echt niet weten wat er gebeurt als je een dier aan die snelheid raakt.

Eerst stop vandaag, de wetlands van Mamukala, 3 jaar geleden was er van uit de birdhide niet veel te zien, als ik me het goed herinner, maar nu blijkt dat anders te zijn. Op enkele meters afstand en dit tot een heel eind in het met waterlelies begroeide meer, ziet het zwart van de watervogels, al is dat niet volledig correct, want er zitten er ook heel wat witte en bruinachtige bij, maar je weet wel wat ik bedoel. Eenden, ganzen, steltlopers, ibissen, witte en andere reigers, zwarte ooievaars (jaburu’s), alles loopt en staat er door elkaar en vissen dat het een lieve lust is, waarbij de ganzen nogal wat modder opwerpen. De eenden lijken meestal nog te slapen met hun kop tussen hun veren. Na het filmen en foto’s trekken speur ik het meer af met mijn verrekijker, nieuwsgierig of ik nog andere vogelsoorten kan spotten. Ik laat de beestjes achter en volg het wandelpad in de hoop dat dit me nog op andere plaatsen aan het meer zal brengen, maar helaas blijft dit er een heel eind af. Eén keer struin ik dan door het gras waar ik tussen de struiken en kleine boompjes een zicht op het meer en kan naderen zonder al de vogels op de vlucht te jagen. Het wordt een lange en hete wandeling voor ik weer aan de camper ben.

Weer op weg en juist voor Jabiru neem ik de afslag naar Ubir naar de aboriginal rock art sites en shelters. Met mijn muskietennet over mijn kop vat ik de wandeling aan, gelukkig is er hier wat meer schaduw dan op de vorige wandeling en heb ik ook voldoende water voorzien deze keer. Onder verschillende overhangende rotspartijen werden tekeningen aangebracht, die dateren van meer dan 5000 jaar geleden tot veel recenter. Het dateren van dergelijke tekeningen is niet gemakkelijk en moet meestal gebeuren aan de hand van de getekende dieren, want het habitat is in de loop der tijden nogal verandert hier, en je kan ook geen dieren tekenen die je nooit gekend hebt. Een exacte datering geeft dat natuurlijk niet, maar toch een gedacht aan de hand vanaf wanneer of tot wanneer deze dieren in deze omgeving leefden. Het is soms verbazingwekkend op welke hoogte en onder welke hoek ze die tekeningen maakten, het meest logische antwoord daarop is waarschijnlijk dat de geografie er toentertijd ook heel anders uit zag.

De tekeningen variëren van de gedetailleerde “röntgentekeningen” tot eenvoudige menselijke figuren, waarvan de lokale stammen beweren dat ze door de Mimi- geesten werden gemaakt, en niet door hun voorouders. Omdat de tekeningen gemaakt zijn met dierenbloed of plantaardige kleurstoffen, zijn ze niet bestand tegen regen en stof, deze onder de overhangende rotsen zijn daar op natuurlijke wijze tegen beschermt, de andere die om één of andere reden nu blootgesteld worden aan water, worden beschermt door een silicone randje dat het water afleid. Op sommige plaatsen kan je ook zien dat latere generaties over de oudere tekeningen over getekend hebben. Er zijn taferelen met de jachtbuit of visvangst, maar ook wijze lessen over het dagelijkse leven zoals voorzichtig te zijn voor krokodillen of wat er met je gebeurt als je iemand zijn vangst steelt. Dan zijn er ook de voorstellingen over de droomtijd, waartoe ook de Mimi geesten behoren, en als terugkerende figuur de regenboogslang, één van de belangrijkste figuren uit de onstaanstijd. Maar ook andere geesten die bestraffen, belonen of onderrichten. Al met al fascinerende verhalen, die nog maar eens benadrukken hoe rijk hun cultuur was, die door de blanke kolonisten als onbestaande of op zijn minst als onbelangrijk werden beschouwd, en dit tot zeer recent.

Sommige van de plaatsen met tekeningen waren niet alleen een pallet voor hun gedachten, maar deden ook dienst als verblijfplaats of schuilplaatsen, al zie je daar niet veel van terug. Archeologen hebben daar echter wel de nodige bewijzen voor gevonden. Een stevige klim brengt me op een hoge rotspartij met een prachtig uitzicht op de wetlands waar de oorspronkelijke bewoners veel van hen voedsel verzamelden of vingen, goed mogelijk dat zij eveneens deze klim maakten als observatiepost om dieren of vijandige stammen te spotten. De aanwezigheid van rock art op de hoger gelegen delen wijst daar in elk geval op. Voordeel ook is dat er op deze hoogte een zuchtje wind is die de hitte wat dragelijker maakt. Eens terug beneden is er nog een laatste rotswanden met tekeningen, waaronder de geroemde regenboogslang, alvorens ik terug wandel naar de auto.

Een beetje verderop is er de Border Store Café, waar ik als late lunch een croissant met kaas, hesp en tomaten eet, om het energieniveau weer omhoog te halen na de wandelingen en de vermoeidheid door de hitte. Eigenaardig genoeg worden veel winkeltjes hier door Aziaten uitgebaat heb ik al gemerkt, gewoonlijk zijn er dan ook Aziatische maaltijden te koop. Weer op weg, naar het Bowali Visitor Centre deze keer, en een wandelingetje door het gebouw, waar meer uitleg gegeven wordt over het park, de fauna en flora en de oorspronkelijke bewoners, wiens nazaten, de Bininj en Mungguy, nog steeds (of opnieuw) eigenaar zijn van de grond waarop het park zich bevindt en ze gezamenlijk met Parks Australië uitbaten op basis van leasing. Daarbij horen ook enkele extra regels en gaat er een deel van de opbrengst naar de stammen. Ik bezoek nog de Burdulba Billabong, maar veel valt er daar niet te zien, zelf het water is haast niet zichtbaar door de vele planten die in de moerasachtige kreek groeien.

Ik zet aan om nog naar Nourlangie (of Burrungkuy zoals het nu noemt) te rijden, om daar nog 2km lang nog meer rots art te wandelen, doch het is nu 16u, dus de kans is groot dat ik dan weer pas tegen de schemer op de camping ben, bovendien is het nu ook nog 37°C en dus best heet. Ik beslis dan ook om terug te keren naar Jabiru en de camping Kakadu lodge op te zoeken. Het is alvast al de best uitgeruste camping tot nu toe, met als bonus een lekker verfrissend zwembad, waar ik gretig gebruik van maak om af te koelen, een Bistro waar ik lekker Barramundi met frietjes, salade en tartaarsaus geserveerd krijg vergezeld van een Iron Jack biertje. Onder het genot van een vanille-ijsje met chocoladesaus, werk ik dan bij een aangename temperatuur verder aan mijn reisverhaal. Ik besef ook ineens dat mijn eerste week er weer al op zit de tijd vliegt als je pret hebt.

Zaterdag 4 november

Vanmorgen even getwijfeld of ik nog niet gauw nog een keer van het zwembad zou gebruik maken, maar de kans is groot dat ik dan niet meer voor de middag weg raak, en de check out time is 10u, dus toch maar genoegen genomen met een douche. Als eerste ga ik een kijkje nemen bij Lake Jabiru, aan de rand van het stadje, daar zie ik nog een sterk staaltje van het flegmatisme van de Australiërs: aan de rand van het meer staat er, zoals bijna overal hier in het Tropische Noorden een waarschuwingsbord voor krokodillen, maar evenzeer staat er een kinderspeeltuin op enkele meters van de waterkant, zonder zelfs maar een hekken of een draadomheining. Daarmee dat de Australiërs in de outback hier zo’n patsers zijn, de domme kinderen worden gewoonweg opgegeten door de krokodillen! Ik ben al een goede kilometer of 2 weg van Jabiru, als ik besef dat ik vergeten tanken heb, en het volgende tankstation is echt te ver weg om het er op te wagen, dus terugkeren maar en de tank volgooien. 2e keer goede keer als ik de Kakadu Highway opnieuw opdraai. Enkele tellen later zie ik mijn eerste Dingo in het wild, het beest loopt gemoedelijk in de grasberm richting het stadje (ook op zoek naar domme kinderen?), hij ziet er in elk geval goed doorvoed uit, maar dat kan ook aan het grote aanbod roadkill liggen natuurlijk.

Zoals gisterenavond gepland, ga ik als eerste naar Nourlangie Rock, Burrungkuy dus, dat wil zeggen, toch naar die afslag, want mijn eerste doel wordt de Nanguluwur gallerie, eveneens een site met rock-art, die wegens de moeilijkere bereikbaarheid echter veel minder bezocht wordt. Een verlies voor diegene die de moeite er niet voor nemen. Na een korte onverharde weg plant ik de camper op een lege parking en vertrek voor de 1,7km lang wandeling naar de site. Na een goede 500m wordt ik plots opgeschrikt door hevig gekraak in het struikgewas naast het pad, nu zitten er hier naar ik weet niet veel dieren die zoveel lawaai kunnen veroorzaken, en voor een krokodil is deze plaats toch echt wel erg ver van enig water! Het raadsel is snel opgelost als er een groot, zwart wild zwijn uit de bush komt gespurt en het op een lopen zet. Gelukkig de andere kant uit, want die beesten kunnen best gevaarlijk zijn, en dit exemplaar was toch zo’n 2x groter dan het grootste everzwijn dat ik al ooit zag. Of de foto die ik van het beest nam, toen het in de struiken verdween, gelukt is valt nog af te wachten.

Toch wat voorzichtiger zet ik mijn weg voort, nog maar een bewijs dat dit pad erg weinig gebruikt wordt in elk geval. Geen onverwachte ontmoetingen meer en na een tijdje bereik ik de bergwand waarvan ik vermoed dat zich hier ergens de rotstekeningen zullen bevinden. En inderdaad het pad loopt nu zo’n 200m de hoogte in en daar krijg ik enkele prachtexemplaren van röntgentekeningen te zien van vissen met de interne organen duidelijk zichtbaar er in getekend. Ook op de rotsen een bewijs van de eerste ontmoetingen met blanken in de vorm van een tweemaster met sloep die gedetailleerd wordt weergegeven tot en met de ankerketting toe, niet zo oud dus (eerder honderden dan duizenden jaren) als de andere tekeningen, maar wel erg verrassend, want te voet naar de kust is van hier toch wel een heel eind en een bewijs dat deze mensen erg grote afstanden aflegden. Ik keer op mijn stappen terug en ontmoet 2én Australische man die blijkbaar ook de weg naar hier gevonden heeft. Al van ver weet ik dat het een Australiër is, zoals vele jonge Australiërs loopt hij er namelijk bij met een redelijk verwilderde haarbos, een slobber t-shirt, driekwart short en last but not least, de onmiskenbare flip-flops aan de voeten. Dat of blootvoets, daaraan herken je de rasechte Australiër!

Verder dan naar Burrunkuy en de Anbangbang shelter die al 20.000 jaar lang als schuilplaats en canvas heeft gediend. Het pad voert me tussen enkele nauwe doorgangen in de rotsen naar een half open grot waarin meerdere tekeningen en ook negatieven van handen te zien zijn, op dezelfde wijze als ik ze ook al in Argentinië in Zuid-Amerika zag. In de Anbanbang gallerei een hondertal meter klauteren tussen rotspartijen verderop zijn het vooral karakters uit de droomtijd, die echter in de jaren ’60 van vorige eeuw overtekend zijn en dus wat van hun authenticiteit verloren hebben. De belangrijkste figuur daarbij is Nabulwinjbulwinj die volgens de mythe vrouwen met een yam op het hoofd sloeg om ze vervolgens op te eten. Dat het hier om een mannelijke geest gaat, lijdt geen twijfel gezien de duidelijk aanwezige geslachtsdelen. Het gaat nu langs nog enkele andere kleine sites en dan de hoogte in naar de Gunwharddehwarde lookout (pff die aborignal benamingen hebben toch ook wel hun nadelen, lezen is al één ding, maar uitspreken blijkt dan nog een stuk ingewikkelder omdat de fonetische uitspraak heel anders is). Hier heb je een goed overzicht over de rotswanden van het Arnhem land.

Ik rijd vervolgens een paar kilometer naar de Anbangbang Billabong, waar het water grotendeels ontbreekt, maar waar ik naast de eenden en steltlopers die ik al elders zag, nu ook enkele zwarte roodstaart kaketoes te zien krijg, voor de rest zijn ze even luidruchtig als de witte geelkuif kaketoes, maar veel minder talrijk. De Nawurlandja lookout loopt nog enkele kilometers verder 300m een helling op en geeft een nog veel beter uitzicht van het Nawurlandja landschap (dat door de blanken dus verkeerdelijk verbasterd werd naar Nourlangie) waarvan Burrungkuy dus maar een onderdeeltje is. Interessant is ook dat hier enkele prachtige shelters zijn (zonder tekeningen weliswaar), maar die uitstekend geschikt waren om in te schuilen. Doch ik vind er nergens enige verwijzing naar dat ze daarvoor ook gebruikt werden. Terug naar de Kakadu highway en vervolgens de afslag naar de Muireella camping, niet voor de campground, maar voor de Djarradjin billabong. Ik vind er een onbeheerd achtergelaten camper met deur en ramen wijd open en niemand in de omgeving te bekennen, een slachtoffer van de krokodillen, waarvoor er hier eens te meer gewaarschuwd wordt? Als ik na het nemen van enkele foto’s van de goed gevulde kreek naar mijn camper terugkeer, twijfel ik nog altijd of ik niet even moet roepen om te zien of er van ergens achter een bush een antwoord komt, maar gelukkig duikt de eigenaar vanzelf op met een knoert van een telelens op zijn fotoestel.

Ik zet mijn weg voort en laat de 4wd route naar de Jimjim & Twin falls om begrijpelijke redenen links liggen (op onze eerste Australiëreis in ’96 bezochten we ze wel met de 4x4 camper, in 2013 was de route al gesloten door hevig regenval), en met deze 2wd camper, moet je je niet wagen aan die 50km (60km tot aan de Twin falls) zware onverharde piste. Ook een bezoek aan de Jimjim Billabong valt in het weter als na 4 van de 6 af te leggen kilometers de zandpiste onder water staat. Dan maar verder naar het Warradjan Aboriginal culturele centrum, dat op zijn beurt gesloten blijkt te zijn. Uit nostalgie ga ik in Yellow Waters (nu Ngurrunggurrudjba) even een kijkje nemen, naar waar ik in 2013 een boottocht op diezelfde rivier ondernam, en hetzelfde geldt voor de camping in Cooinda waar ik toen stond. Het is duidelijk dat het water nu nog een stuk lager staat dan toentertijd, toen we met een 4X4 unimog vrachtwagentje naar de steiger moesten gebracht worden om de boottocht aan te vangen, dwars door de overstroomde weg.

De buitentemperatuurmeter van de auto geeft ondertussen 39°C aan en er duiken opnieuw termietenheuvels op langs de kant van de weg, ook verschijnen er rookwolken aan de hemel en al gauw komen we aan enkele plekken waar het afbranden aan de gang is, dit is de aloude traditie van het wegbranden van het oude droge gras, juist voor het natte seizoen, zodat het jonge groene gras kan opschieten eens de regens er zijn. Bovendien hebben de bomen hier de hitte nodig om hun zaden te laten ontkiemen. Bovendien is er zo ook minder brandstof voorradig wanneer er een al dan niet natuurlijke bosbrand oplaait en zijn deze dus beter beheersbaar. Het is nog even schrikken als er plots een stier opdaagt voor de auto, maar gelukkig wacht die tot ik voorbij ben om over te steken. Een aanvaring met die kolos zou me namelijk geen goed gedaan hebben. Ik stop een laatste keer aan de Bukbukluk viewpoint, meer om de benen nog een keer te strekken dan voor het uitzicht, en bereik dan de uitgang van het park. 10 km verder ligt het Marie River Roadhouse, mijn overnachtingsplaats voor vandaag.

De eerste aanblik is deze van een echt oudback roadhouse, stoffig, schaarse begroeiing, basic faciliteiten, vele lastige vliegen en typische onaangepaste eigenaars met veel grappen en grollen ten koste van zichzelf en de bezoeker. Maar altijd goedlachs en gastvrij de kwinkslagen moet je erbij nemen en liefst nog even hard terugkaatsen, zo hebben ze het het liefst. Na die eerste kennismaking blijkt het hier nog erg mee te vallen, in de shop hebben ze heel wat koude drank om mijn voorraad aan te vullen, de kippenschnitzel Pami (met tomatensaus en gesmolten kaas erop) is erg lekker en de verwijzing naar een zwembad blijkt dan toch geen grap. Ze houden het licht een uurtje langer aan zodat ik nog wat kan afkoelen in het heerlijke water, ook de grappen en grollen gaan hier verder, aan het zwembad een bord verboden te zwemmen wegens de aanwezigheid van krokodillen, en gelijk hebben ze want in het restaurant zit in een aquarium babykrokodil Colin die het de aanwezige vissen soms lastig maakt, zo klein als hij nog is.

Zondag 5 november

Zoals gisteren reeds gezegd heb ik het Kakadu National Park verlaten en na een warme, zwoele nacht gaat het nu verder naar het zuiden. Ik volg de Kakadu highway nog altijd tot deze samenkomt met de Stuart highway, laat je trouwens niet misleiden door de beaming highway, want dat heeft niets te maken met een autosnelweg, het is gewoon een tweebaans weg, één in elke richting, en kan geasfalteerd maar evengoed onverhard zijn. Het eerste plaatje waar ik stop is Pine Creek, met als enige bezienswaardigheid het spoorweg en mijnmuseum. En net als vorige keer is er weer niemand te bekennen en kan ik rondstruinen zoveel ik maar wil. Het complex bestaat uit enkele golfplaten gebouwen, waaronder het voormalig stationsgebouw, die vooral uitblinken door leegte, behalve dat laatste dan, waar nog wat artefacten en vergeelde en kromgetrokken aanzichtkaartjes te koop zijn. Betalen kan door 2 A$ in een blikken doos te steken, zowel voor de ingang als voor de aankoop van kaartjes (en voor thee of koffie, maar wie die dan zal zetten?)

Veruit het belangrijkste stuk van het museum is de stoomlocomotief met houten reizigerswagon uit vervlogen tijden. Ervoor staat ook nog een oude dieselloc geparkeerd. Net als 4 jaar staat er op een bordje dat het ooit de bedoeling is het stoomtreintje als toeristentreintje in te zetten. Over hoeveel decennia dat zal zijn is weer een andere vraag. De enige wijziging die ik zie, is dat enkel bussen en half afgebroken/opgebouwde campers die niets met het museum vandoen hadden, nu verdwenen zijn. En de golfplaten gebouwen krijgen momenteel een nieuwe verflaag. Ik wandel naar de hopen oud ijzer die in de mijn-afdeling de artefacten vormen, onderdelen van enorme mijnmachines die nu roest liggen te verzamelen onder het waakzame oog van enkele honderden flying foxen, die hangend in de bomen rondom, met veel gekrijs en gefladder hun ongenoegen kenbaar maken als ze gestoord worden. en gezien ze als bosjes overrijp fruit met massa’s in de bomen hangen gebeurt dat ook nogal een keer. Minder in getale, maar daarom niet minder luid, zijn de Roodgevleugelde groene parkieten die iets verderop hun favoriete bomen hebben.

Vanaf nu zit ik dus op de Stuart highway die het ganse continent doorkruist (als je de laatste berichten mag geloven dat Nieuw Zeeland en de eilanden van de Stille Zuidzee een apart continent vormen toch). En dat zal nog wel enkele dagen zo blijven, met af een toe een zijsprongetje om iets te bezichtigen natuurlijk. Zoals nu bijvoorbeeld Leliyn of Edith Falls in het Nitmiluk National Park. De afslag voert me 20km over een zijweg naar de pittoreske zwemvijver met bijbehorende waterval. De 3,6km lange wandeling die van de lower pool naar de upper pool loopt en terug zegt me eerlijkgezegd niet veel in deze hitte. De zwemvijver daarentegen, is wel heel eg aanlokkelijk. Even omkleden dus, en de geruststellende borden lezen dat er regelmatig gecheckt wordt of er zich krokodillen in de vijver bevinden en deze dan verwijderd worden wanneer ze gevonden worden. Er staan bovendien krkodille kooien aan de toevoer en afwatering van het meertje. En o ja, toch maar het telefoonnummer waar je het kan melden als je toch een krokodil opgemerkt hebt. Ik denk maar, met al het jonge volk dat er nu al in rond plonst, heeft ieder zichzelf respecterende crock zich al lang uit de voeten gemaakt.

Een 30cm lange goanna vind dat blijkbaar geen obstakel en zwemt lustig tussen de zwemmers door, de Parkranger die even een kijkje komt nemen is aangenaam verrast, want gewoonlijk zijn die beestjes zo schuw dat je maar een glimp van ziet, maar deze geeft wel 10 minuten een showtje weer. De eerste zwemsters die het dier in de gaten kregen zorgden wel voor een lichte paniek toen ze het dier eerst voor een waterslang en vervolgens voor een babykrokodil aanzagen. Ik vind het al lang jammer dat ik mijn duikcamera in de camper laten liggen heb, en dat betert er niet op als er ook nog heel wat vissen en zelf een schildpadje aan mijn neus voorbijzwemmen. Het water is de eerste 30cm zelfs warmer dat de lichaamstemperatuur en je moet al een duik nemen om in frisser water terecht te komen dat je lekker afkoelt. Na een uurtje kom ik met tegenzin uit het water om mijn weg bij opnieuw 39°C verder te zetten. Ik zie dan ook nog dat mijn benzinemeter gevaarlijk dicht bij de reservestand komt te staan terwijl ik nog 60km voor de boeg heb alvorens ik in Kathrine aankom, waar er tankstations aanwezig zijn.

Met het reserve lichtje aan kom ik bij het eerste tankstation, maar als ik mijn kaart inbreng in dit zelfservice station, moet ik op voorhand het gewenste bedrag opgeven dat ik wil tanken. Gezien ik de auto nog niet goed ken, weet ik dat natuurlijk niet. Ik waag mijn kans dan bij een tweede en zelfs een derde tankstation, allen met hetzelfde resultaat. De vrachtwagen chauffeurs, waarvoor deze tankstations in eerste instantie bestemd zijn, begrijpen het ook niet, want met hun kaarten reageert de machine helemaal anders. Bij het laatste station staat de tekst iets anders geformuleerd en meen ik op te mogen maken, dat het een maximum bedrag is dat je moet opgeven, waar dus niet overheen mag gegaan worden, doch niet het exacte bedrag waarvoor je tankt, en dus waag ik het er maar op 100A$ in te geven in de hoop dat die tankbeurt me later dan geen 100A$ gaat kosten in plaats de 73A$ die ik in werkelijkheid getankt heb.

In Katherine zelf neem ik dan opnieuw de afslag naar het Nitmiluk National Park, om een kijkje te nemen bij Katherine Gorge zoals deze bij de 2 vorige bezoeken nog noemde, maar nu dus ook de Nitmiluk naam heeft gekregen. Erg verwarrend allemaal die naamsveranderingen, en niet alleen de toeristen hebben het er lastig mee, ook heel wat (blanke) Australiërs blijven halsstarrig de koloniale naam gebruiken (vele van de parken kregen bij hun ontstaan als Nationaal park namen van belangrijke blanke Australiërs of hun vrouwen, die voor de ontsluiting van de outback zorgden door aanleg van spoorwegen, telegraaflijnen en van dies meer. Dit zeer tegen de zin van de oorspronkelijke bewoners die natuurlijk reeds namen voor deze plaatsen hadden, lang voor de kolonisten zich kwamen moeien. Volgens mijn reisgids vangt de laatste boottocht rond 15u aan, en 10 minuten voor het uur sta ik in het visitorscentre, doch de vertrekuren zijn (nog maar eens) gewijzigd en de laatste afvaart is om 14u vertrokken. Een ramp is dat niet gezien ik dit 4 jaar geleden al deed en veel ingrijpends zal er wel niet gewijzigd zijn aan de kloof.

Als ik bij de Parkranger informeer naar de wandelingen langs de randen van de kloof, zegt ze dat alle langere wandelingen momenteel ten strengste afgeraden worden, wegens de hoge temperaturen die op de schaduwloze paden tussen de rotsen tot wel 48°C kan oplopen. De enige optie die dan nog open blijft is de 900m lange wandeling (enkel) naar het Baruwei uitzichtspunt, die een overzicht geeft van de eerste gorge van de acht in totaal. En ook dat is lang geen kattenpis, als je weet dat je zo’n 135 trappen omhoog moet. Maar aan het weer verander je nu eenmaal niets en dus waag ik het maar op. Een vader met zijn 2 jonge kinderen waagt het er ook op en de twee kereltjes hebben nog bergen energie op overschot. Had ik al gezegd dat Australiërs stoere binken zijn van jongs af aan? Halverwege de wandeling zijn de 3 me al voorbij en heeft pa de nodige moeite om ze in te tomen en ze zelf nog bij te kunnen houden. Eens boven willen de twee de hele loop afleggen van 2,8km, maar daar steekt vader een stokje voor. Ik neem rustig de tijd om bij te komen en me goed te hydrateren en natuurlijk van het uitzicht te genieten. Vervolgens gaat het dan via dezelfde weg terug.

In de hoop op een restaurant en eindelijk een keer werkende wifi opteer ik voor het Big 4 Caravan park in Katherine, maar uiteindelijk had ik me de moeite kunnen besparen, want geen van beide is beschikbaar. Het is pas wanneer ik er aankom dat ik besef dat dit dezelfde camping is die ik 4 jaar geleden aandeed. Eerste werk, een uurtje in het zwembad bekomen, dan een maaltijd opwarmen die ik gelukkig buiten kan opeten, wegens geen insecten. Misschien een gevolg van de enorme zwermen vleerhonden, die nu de schemering invalt, kom overvliegen. Ik herinner me van vorige keer nog dat ze met duizenden in de bomen aan de rivieroever hingen. Na de afwas had ik het leuke idee om ook buiten in het donker nog wat aan het reisverhaal te schrijven bij een relatief aangename temperatuur, maar nu komen er wel zwermen pietluttige vliegjes op het licht van de tablet af die me horendol maken. Ook in de camper met de deuren open is geen optie en dus moet het opgesloten in de sauna, terwijl het zweet letterlijk van me afdruipt, jongens toch wat een extremen hier, lang leve het gematigde klimaat bij ons!

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Penguin
LROCB-Member
Berichten: 2897
Lid geworden op: vr 25 jul, 2003 13:32
lrocb_lidnr: 1396
Woonplaats: Hoele
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Penguin » ma 06 nov, 2017 13:20

Ik docht al dadde van de aarde gevallen waard, en zie, ge zit down-under ;)
28/02 - Loss of a good friend...
​__m__( ͡° ͜ʖ ͡°)__m__
Afbeelding
In a time of chimpanzees, I was a penguin.

Gebruikersavatar
Wolf
LROCB-Member
Berichten: 2230
Lid geworden op: do 31 jul, 2003 20:39
lrocb_lidnr: 316
Woonplaats: Bij Father Damien
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Wolf » ma 06 nov, 2017 18:00

ik had vroeger beter voor de Post gekozen als werkgever ipv voor de KB.
avatar = Hammerite-user.

Gebruikersavatar
Penguin
LROCB-Member
Berichten: 2897
Lid geworden op: vr 25 jul, 2003 13:32
lrocb_lidnr: 1396
Woonplaats: Hoele
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Penguin » ma 06 nov, 2017 18:16

Wolf schreef:ik had vroeger beter voor de Post gekozen als werkgever ipv voor de KB.
Werken voor een bank of verzekering is nooit een goed idee :D
28/02 - Loss of a good friend...
​__m__( ͡° ͜ʖ ͡°)__m__
Afbeelding
In a time of chimpanzees, I was a penguin.

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » wo 08 nov, 2017 14:49

Maandag 6 november

Vergeten gisterenavond het klokje te zetten, maar eigenlijk is dat ook niet echt nodig hier, want volledig verduisteren is toch niet mogelijk en tussen 5u30 en 6u00 is het licht, een anders wekt de warmte je wel op. Niet veel bezienswaardigheden in de week die er nu aankomt, wel veel kilometers vreten, dat hoort er nu eenmaal bij in Australië. Na douche en ontbijt klaar voor vertrek met nog een korte stop, juist buiten de camping voor het Katherine Low Level Nature Park. Eigenlijk de omgeving van de rivier met de honderden flying foxes, zwart met oranje vleugels, maar die zie je overdag bijna niet omdat ze opgevouwen in de bomen hangen. Bij het nemen van de foto’s valt het me weer op dat de waterniveaus een stuk lager staan dan 4 jaar geleden ronde dezelfde periode, toen stond de de brug over de rivier hier een stukje onder water! Zelfde als wat ik in Kakadu al opmerkte dus. Sinds die tweede dag in Darwin heb ik trouwens geen echte regen meer gezien.

Een 30-tal kilometers verderop staat mijn eerste stop ingepland bij de Cutacuta caves, volgens mijn reisgids zijn er deze voormiddag 3 rondleidingen en nog enkele in de namiddag. Ik wil graag met deze van 10u mee zodat ik nog een beetje op tijd ben voor het afmalen van de kilometers. Dat lukt probleemloos, meer zelfs, ik ben de enige gegadigde en krijg dus een privérondleiding van een prettig gestoorde oudere Australische dame die nauwelijks stopt met praten om adem te halen. Het eerste wat ik verneem is dat de rondleidingen momenteel beperkt zijn tot deze van 9 en 10u, daar kom ik dus goed mee weg, wegens te weinig toeristen in het natte seizoen. Wat de dame in kwestie trouwens zelf van haar bazen moest vernemen via facebook, maar dat terzijde. Zoals van gewoonte bij dergelijke rondleidingen gaat het vooral over het ontstaan, de ontdekking en de steenformaties in de grot, al geeft deze dame er wel hier en daar een kwinkslag aan. Omdat we alleen onderweg zijn, heeft ze ook wat meer tijd om me wat details te laten zien, in het bijzonder de beestjes die hier in de grot leven, zoals insecten waaronder kevers, spinnen en slangen. Van die laatste zien we twee kleine exemplaren, ongevaarlijk een klein, en tal van huiden van vervelde slangen.

Al die beestjes maken deel uit van de voedselketen die uiteindelijk eindigt bij de vleermuizen die in het niet toegankelijke deel van de grot aanwezig zijn, en we dus niet te zien krijgen. Ook de rotswallaby die zich al eens in het begin van de grot ophoudt, laat zich niet zien, evenmin als de python die hier ook al eens durft te huizen, misschien is de ene afwezigheid welglinkt aan de andere, je weet maar nooit. Na het bezoek gaat de gids terug via de korte route en neem ik een wat langere door de bush, maar de enige diertjes die ik te zien krijg zijn de sprinkhanen, die mij blijkbaar niet zien en tegen mij aan springen. Na nog een gezellige babbel met de gids en de dame van het onthaal ga ik weer op weg, ik krijg van hen trouwens nog mee dat in Queensland, de regens we al volop hebben toegeslagen en er veel overstromingen zijn. Ik zal dus onderweg de wegcondities moeten navragen bij de politiestation.

80 km verderop kom ik aan in Mataranka, een plekje waarvan ik dacht dat ik me het nog goed herinnerde van onze eerste Australiëreis, toen we hier ten midden van een country en western festival bij de Mataranka homestead en camping aankwamen. De thermale bronnen waren toen een welkom zicht na een hete en stoffige dag. Bitter Springs voldoet al zeker niet aan de herinneringen, neen het is er zelfs beter, zoveel beter zelfs dat ik na een eerste duik in het water naar de camper terugkeer om mijn snorkelgerief te gaan halen en zo in totaal meer dan 2 uur rondzwem. Hierna gaat het naar een tweede ingang van Elsey Park, zoals het hier nu officieel noemt, en daar bevindt zich inderdaad de voornoemde homestead en de thermale bronnen. Maar na 20 jaar zijn de herinneringen daaraan blijkbaar zo vervaagd, dat ik het er niet echt meer in herken.

Het palmbos waar ik doorheen moet naar de thermale bron en Rainbow Spring weergalmt van de kreten van vliegende honden en eerlijk gezegd ruikt het er ook naar, of tenminste naar de ammoniak in de uitwerpselen. De thermale bron is nu een stenen bassin en in de Rainbow Spring mag je niet zwemmen. De roep van de vooruitgang zeker? Ik meen mij een houten plankier, veel planten in het water, evenals schildpadden en vissen, te herinneren. Verder een basic camping en verderop de graven van Never Never, een klassieker in de Australische natuur (We from the Never Never) over homesteaders in de outback. Deze laatste vind ik zelfs niet meer terug, tja tijden en plaatsen veranderen ook hé. Terug op de Stuart Highway en stilaan verandert de kleur van de grond naar het rode zand dat zijn naam aan het binnenland geeft: The Red Centre. Ook de bossen worden minder weelderig en maakt plaats voor meer en meer gras, lang, bruin, taai en met een voedingswaarde die gelijk is aan nul, voor het vee. Het enige waar het goed voor is, is dat de assen ervan de grond opnieuw wat verrijken, nadat het afgebrand is. Want veel van de voedingsstoffen in de bodem worden hier weggespoeld door de tropische regenstormen.

Ik denk dat ik voorstel tot naamsverandering ga doorgeven aan de Australische staat, voor de Stuart Highway, in het kort de KKF Highway, de Kangoeroe Killing Fields Highway. Om de honderd meter ligt er wel het kadaver van een aangereden dier, sommige liggen er al langer, sommige lijken er nog maar net te liggen en de ergste van al zijn deze die in volle ontbinding zijn en een ongelofelijke stank door de ramen naar binnen jagen wanneer je voorbij rijdt, echt om te kokhalzen. Het moet zijn omdat ik er het vanmorgen nog over had maar er verschijnen donkere wolken aan de hemel met af en toe een regenbui, de temperatuur zakt dan maar liefst met een graad of 15 van 39° naar 24° en gaat even snel weer de hoogte in na de bui.

Langs de kant van de weg zijn er hier regelmatig verwijzingen naar historische plekken verbonden met WW II, vooral dan onverharde vliegveldjes, clearings in de bush, waar vliegtuigen en manschappen gestationeerd werden, een onverharde landingsbaan met misschien enkele golfplaten barakken. Veel verkeer is er hier niet, af en toe kruis ik wel één van die mastodonten van een roadtrains, gevaarlijker is het als je er zelf eentje voorbij moet, want dat neemt heel wat tijd in beslag. Gelukkig zijn het hier kilometers lange rechte stukken en zoals gezegd, heel weinig verkeer.

Larimah dat ik genoteerd had als overnachtingsplaats laat ik links liggen, net als het Pink Panther Café, zo’n echte outback bar vol nostalgische rommel, met de raarste figuren voor en achter de toog, de wildste verhalen, bankbiljetten en van dies meer tegen het plafond genageld en dat alles in een roze Pink Panther themakleur geschilderd. Best leuk om een keer langs te gaan, maar ik heb nog een dergelijke plaats voorzien voor de overnachting, 95km verderop in Daly Waters, en eentje is wel genoeg op een dag. Morgen is de langste rijdag in mijn planning en deze extra 95km vandaag maakt die wat dragelijker met en goede 425km ipv 520km… . Voor ik de camping bij de pub bereik, stop ik nog bij Stuarts Tree, mogelijk één van de domste bezienswaardigheden van het ganse land. De dode boomstronk zou door John Mc Dowel Stuart met zijn initialen bekrast zijn toen die van Alice Springs op weg naar Darwin, water vond in Daly Waters (vandaar de naam). Jammer maar helaas zijn er geen initialen te vinden op de dode stronk, en erger nog, nergens in zijn uitgebreide beschrijvingen is er sprake van een dergelijk gebeuren!

Alles in Daly Waters draait om de gelijknamige pub, met uitzondering van de golfplaten hangar op het nog in gebruik zijnde vliegveldje van het stadje, waarop Qantas ooit nog tussenlandingen maakte op zijn vluchten van Engeland over het Australische continent. De pub, camping, benzinestation, restaurant, alles wordt hier gerund via de pub en betaald aan de bar. Je tankt je auto vol en zegt zelf welke brandstof en voor welk bedrag dat je getankt hebt aan de bar. Een krakkemikkig huisje naast het pompstation torst een gecrashte helikopter op zijn dak als reclame voor dergelijke vluchten, Australische humor ten top! De binnenmuren van de pub zijn behangen met t-shirts, Bh’s, slipjes, en adreskaartjes van de (tien?)duizenden toeristen die hier ooit gepasseerd zijn. Ondanks dreigingen op het menu indien je een weldoorbakken steak vraagt, is het toch dat wat ik bestel (en krijg) zonder dat de kok achter me aankomt met zijn vleesmes.

Als je voorbij de ruwe kantjes kan kijken, de Australische humor apprecieert, net als de lokale stamgasten, dan is het hier erg goed vertoeven. Ze blijken hier zelfs voor de eerste keer in een week een werkende Wifi verbinding te hebben, nog gratis voor en uur ook, met complimenten van het Northern Territory. Ik maak er onmiddellijk gebruik van om mijn reisverhalen door te spelen. Tenslotte heb ik nog 2 zwembaden helemaal voor mij alleen om nog wat af te koelen.

Dinsdag 7 november

Vandaag dus één van de langste ritten van de reis, of tenminste dat was het tot gisteren toch nog. Maar het blijft sowieso een dag met veel kilometers en die zijn allemaal af te leggen op de Stuart Highway. Vannacht struikelde ik tijdens een toiletbezoek bijna over de wallabies of kangoeroes en ook vanmorgen hopt er nog eentje rond. Ook zijn er een hele troep bontgekleurde parkieten met blauwe kop, oranje onder de vleugels en groen op de rug die kwetterend om een plaatsje vechten bij een lekkende waterkraan, mooi voor enkele foto’s. Voordien waren het zwarte kraaien, maar die zijn zo fotogeniek niet.

Terug naar de Stuart highway da en karren maar, ik rijd al snel voorbij de Highway Inn die als mogelijk alternatief voor de camping van de Daly Water Pub in gedachten had, maar ben blij dat ik dat niet gedaan heb, want deze site ziet er maar troosteloos uit. Gisteren merkte ik reeds dat men blijkbaar een trent gestart is, die ik nog niet kende van de vorige reizen hier. Het aankleden van termietenheuvels, met een t-shirt, soms vergezeld van een pet of een hoed. Het breekt de eentonigheid wat, je kijkt er al naar uit wat het nu weer wordt. De meeste zijn kindermaten soms worden er nog wat attributen bijgevoegd zoals een leeg colablikje of takken als armen, en één keer zelfs een paar borsten. Naast de snelweg is het aantal kangoeroe kadavers sterk afgenomen, wel liggen er nu af en toe runderen weg te rotten. Ook geen vrolijk zicht natuurlijk. Nog steeds ook grote afgebrande stukken, waarvan ik niet weet of ze opzettelijk werden aangestoken als onderdeel van het landmanagement, dan wel als wildfires. Wel heeft het hier blijkbaar feller gebrand dan op vorige vergelijkbare plaatsen.

In Renners Springs bevind ik mij op de denkbeeldige grens tussen het natte Tropische Noorden en het droge Hot Centre. De boompopulatie vermindert hier nu sterk en maakt plaat voor graspleinen. Borden langs de weg waarschuwen voor loslopend vee, en gezien de kadavers langs de weg is dat geen loze waarschuwing. Van fauna zie ik afgezien van de vele roofvogels bij de roadkill, alleen een Emu met een stuk of 5 kuikens, die me jammer genoeg te snel af zijn voor een foto. Vel bezienswaardigheden zijn er hier niet, er is een historische marker voor Charles Todd, minister van post en telecommunicatie, die de overland telegraaflijn dwars door Australië in goede banen leidde, die in Darwin aansloot op de onderzeese kabel naar Java en zo dwars door Azië naar Europa. Een reusachtige onderneming toen in 1860, die de communicatie van +100 dagen naar enkele uren terugbracht. Een echt huzarenstuk!

Newcastle Waters is zoals zovele stadjes ontstaan om bijstand te verlenen voor het onderhoud van de telegraaflijn, maar was eveneens een groot veebedrijf. Nu is het volgens de reisgids een spookstadje, doch er staan nog geen 10 huizen, waarvan de school en op zijn minst nog 2 andere nog steeds bewoond zijn. Dit is nog grotendeels Aboriginal country, en dus niet verder toegankelijk zonder permit, ook de school lijkt me van de aboriginal community. De daar nog levende bewoners hebben echter geen zin in pottenkijker valt op te merken aan de veelvuldige borden met “Private Property”. Je zou het een toeristenval kunnen noemen, maar dan hebben ze toch iemand vergeten om te ontvangen. Bij Attack Creek ook eer een historische marker, omdat de mannen van Stuart Mc Dowel hier in een hinderlaag gelokt werden, door de lokale Aboriginals op zijn zoveelste poging om de Noord-Zuid doorsteek te voltooien. Dat zou uiteindelijk pas bij de 6e poging lukken.

De benzinemeter stond al alarmerend laag (op nul zelfs) toen ik aankwam bij het Threeways Roadhouse, en bij het tanken gaat er maar liefst 58l in mijn 50 liter tank! Ik betaal aan een vriendelijke dame met heel erg lichtgrijze ogen en een veelkleurige tatoeage op de arm. Even verder staat het Tennant Creek Telegraph Station, dit was één van de 11 repeater stations die het signaal versterkt moesten doorgeven. Je kan er rond de gebouwen en in de kleinere bijgebouwen zelfs binnen een kijkje nemen, een honderd meter verderop werden 2 medewerkers van het station destijds begraven. Bordjes verwijzen naar de eenzame situatie waarin deze mannen leefden. Hier niet ver vandaan liggen ook de Pebbles, een woestenij van ronde rotsen zoals er meer dan 100km nog eentje is in grotere versie (de Devils Marbles). Dit is tevens een heilige plaats uit de Dream tijd van de lokale bewoners en dus is het beklimmen van de rotsen niet toegestaan.

In Tennant Creek ga ik naar het Battery Hill Mining Centre en Tourist Office, alleen om te horen te krijgen dat de laatste ondergrondse mijntour van de dag een kwartier geleden vertrokken is. Ik bezoek dan maar het mijnmuseum, een museumpje over WW II, van uit het Tennant Creek opzicht (vele mijnen gingen hier dicht omdat het manvolk opgeroepen werd voor het leger) en tenslotte nog een museumpje met allerlei soorten mineralen. Als ik terug in het visitor centre vraag naar het Nyinkka Nyunyu Cultural Centre blijkt dat gesloten voor renovatie. We zijn in het laagseizoen, weet u wel.

Omdat het nog redelijk vroeg is, besluit ik terug te rijden naar het Threeways Roadhouse, waar ik morgen de Barkly Highway richting Oosten moet nemen. In tegenstelling tot de campground in Tennant Creek heeft deze namelijk wel een restaurant en een zwembad(je) hebben ze beide, dus is de keuze snel gemaakt. Het zwemmen komt er uiteindelijk niet van (geen verlichting bij het zwembad na het eten). Maar de varkenskotteletten met puree, allerlei groentjes en Appelcomplete is in elk geval erg lekker. Ik zie hier ook voor het eerst de grijs-roze parkieten, die we zoveel tegen zijn gekomen in de Kimberly's 20 jaar geleden.

Woensdag 8 november

Vanmorgen is het verdacht kalm buiten, ik hoor weinig of geen vogels kabaal maken. Als ik de gordijnen even wegtrek merk ik dat het redelijk zwaar bewolkt is. Tijdens het douchen is het de eerste keer deze reis dat ik ook de warmwaterkraan een keer opendraaien. Tegen dat ik terug buiten kom zijn de andere kampeerders al vertrokken, het is nochtans nog vroeg, gewoonlijk ben ik zelfs een van de eerste weg. Na het ontbijt draai ik dan de Barkly Highway op met bestemming de Barkly Homestead, een goede 160km verderop. Eigenlijk staat die aangegeven als mijn eindbestemming voor vandaag, maar aangezien er op deze route niets anders te zien is dan het landschap dat voorbijglijd (of eigenlijk is voorbijvliegen in deze context wel gepaster) zou dat nog veel te vroeg zijn. En dat blijkt ook zo gezien ik rond 10u al daar sta! Tegen 130 km/u gaat het natuurlijk snel, maar het zelfde kan gezegd worden van de dalende wijzer van de benzinemeter vrees ik. Bovendien is er hier nog minder verkeer dan de vorige dagen, wat er passeert zijn dan nog vooral de grote Road trains en af een toe een camper. Het Barkly Homestead blijkt wel een stuk moderner dan ik verwachte, ik maak van de gelegenheid gebruik van te tanken, want ook tankstations zijn hier een zeldzaamheid.

Even de planning herbekijken dus, ofwel rijd ik door naar Camooweal, met het gelijknamige Camooweal Cave National Park en zijn Crater of caves, en overnacht daar, ofwel ga ik helemaal door naar Mt ISA, en dan win ik een dag die ik dan later aan de kust kan benutten. Ik besluit van af te wachten tot in Camooweal en het bezoek aan de grotten en dan pas te beslissen. Onderweg verandert er niet veel, al worden de bomen schaarser en schaarser en maken plaats voor uitgestrekte grasvlaktes. Dorpjes zijn er niet en als er al een keer een onverharde zijweg met een bordje aankomt lijkt die te verwijzen naar cattlestations ergens achter de horizon.

Camooweal blijkt zowaar een dorpje van 350 zielen, ook hier weer is de eerste opdracht de auto voltanken ook al is de tank nog halfvol, Mt ISA haal ik daar niet mee. Het Nationaal Park blijkt 10km verder langs een onverharde weg te liggen, en dat wordt dus niets. In een winkel, annex pompstation, annex restaurant, koop ik me twee springroles voor onderweg. Ze zijn nog wat warm om ineens op te eten en dus rijd ik verder tot een parking langs de weg. En ze blijken verrassend lekker te zijn!
Op weg naar Mount Isa dus, een mijnstad in the middle of nowhere, zoals ze dat hier zeggen. Het grasland neemt het nu bijna volledig over van de bomen, bij Avond Downs staat er een groot politiestation, ook zomaar in het midden van nergens, want Avond Downs is namelijk geen stadje, maar weer een van die enorme cattlestations. En als rijke eigenaar krijg je het dan gedaan dat er speciaal voor jou een politieaanwezigheid wordt voorzien, omdat er teveel veediefstallen gepleegd worden. Voor de rest nog een historische site waar je de oorspronkelijk Barkly Highway, aangelegd tijdens WWII, nog kan zien (later blijkt dat er nog hele stukken verderop langs de route liggen). Dit om het Noorden dat onder Japanse dreiging kwam, beter te kunnen bereiken. Weer heel wat die kleine en kangoeroes langs de baan en sinds ik Camooweal heb bereikt ben ik in Queensland aangekomen, waar het een half uur later is en de maximum snelheid 110 km/u is. Op een gegeven moment zie ik opnieuw Emu’s en deze keer lang genoeg om foto’s te nemen en te filmen.

Ik zal er een slordige 650 km opzitten hebben wanneer ik de schoorstenen en mijnschachten van Mt ISA in het vizier krijg. Nog even de camping Mt ISA zoeken en de dag zit er op voor vandaag.

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » wo 15 nov, 2017 14:37

Donderdag 9 november

Vanmorgen moet ik beslissen of ik me aan de geplande reisweg houdt, of het alternatief neem. Alles hangt daarbij af van de toestand van de weg, indien de Burke Development Road open is, evenals de Savanah Way, dan blijft alles zoal het is, indien niet, dan zal het de Flinders Highway worden die echter wel een serieuze omweg inhoud. Bij het tankstation waar ik me ga informeren, bevestigt men me, dat mijn originele route probleemloos kan gereden worden en dus is de beslissing gevallen. Het is nu al de 3e dag op rij dat de temperatuur ’s morgens een stuk minder heet is en het dus veel aangenamer is. Ik spreek dan nog altijd van een temperatuur van een graad of 26°C, maar dat is toch wel prettiger dan 36°C. Pas tegen de middag schommelt deze dan rond de 30°C om verder te stijgen tot ongeveer 37°C.

Voor ik uit Mt Isa vertrek zijn er nog enkele plekjes te bezoeken, gelukkig allemaal dicht bij elkaar. In Outback at Isa zijn de Isa experience & Outback Park (museum over de mijnen, vissenkwekerij en botanische tuin), Riversleigh Fossil Centre (diorama’s met uitgestorven Australische diersoorten en fossielen van die beesten) en de Hard Times Mine (ondergrondse mijntour) gegroepeerd. Voor die laatste heb ik de tour van 9u gemist en de volgende is pas om 3u, dat is me te laat. Het blijft dus bij een bezoek aan die andere musea. Alles draait hier om de mijnen, het enige bestaansrecht van deze stad, zo ver in het achterland. 1/3 van de bevolking is rechtstreeks tewerkgesteld in die mijnen en de rest verzorgt de catering rond alles wat met de mijnen te doen heeft. Lood, koper, zink en uranium zijn de gedolven grondstoffen hier en eens die zullen uitgeput zijn, zal ook de stad haar bestaansrecht verliezen. Aan de overkant van de straat, het uitzichtpunt, van waarop je de hele stad kan zien, die helemaal omringd wordt door bergruggen, al dan niet gelittekend door open put mijnen. Al met al één van de zeldzame steden die ik ken die de focus op zijn industrie legt, wat betreft toerisme.

Nog even de drank- en voedselvoorraad aanvullen en dan gaat het op weg naar Cloncurry, de weg loopt door een verassend mooi berglandschap met af en toe een afslag naar nog een mijn, meestal met bordjes verboden toegang, alleen voor bevoegde personen en dergelijke erbij, als of er geen gewone metalen maar goud of zilver gedolven wordt. Eén afslagmag ik wel nemen, naar Mary Kathleen, volgens de reisgids een spookdorp (ook verdwenen nadat de mijn was uitgeput) en dat wil ik wel eens zien. Enkele kilometers verder over wat er nog van de originele asfaltweg over blijft, sta ik dan in het midden van het spookdorp. En of het een spookdorp is, en dat nog in de meest letterlijke zin van het woord: je ziet het ganse stratenplan nog liggen, met de betonnen platen die als funderingen van de huizen dienden, doch er staat geen enkel huis meer. En toch kan je jezelf hier heel goed een dorpje bij voortellen, inderdaad een beetje spookachtig.

In Cloncurry is het opnieuw tijd voor een tankbeurt en de bevestiging van de staat van de weg, en dan draai ik opnieuw naar het Noorden, 200km door een eentonig landschap over de Burke Development Highway naar Fourways, geen gehucht, maar een kruispunt waarop 4 wegen uitkomen en enkele meters daarvandaan het Burke & Wills Roadhouse. Ik bega de fout van mijn cruise controle op te zetten, met een vaartje van 100km/u, bij 35°C en een bijna loodrechte baan zonder noemenswaardig verkeer is dat vragen om problemen. Ondanks regelmatig drinken en snoepen om wakker te blijven, vind ik mezelf op een gegeven moment op het verkeerde rijvak. Gelukkig zijn er geen tegenligger en ik keer snel terug naar mijn kant en zet me zo gauw als mogelijk op een rustplaats opzij om even goed de benen te strekken en terug helemaal wakker te worden. Met het raam dicht, de airco op zijn koudste en de radio goed hart, gaat het dan verder zonder ongelukken naar het Burke & Wills Roadhouse.

Na het tanken, een ijslolly en een koel drankje moet ik beslissen wat ik doe. Hier blijven, een stoffige bedoening, zonder verfrissingsmogelijkheden ander dan een douche, of nog de 200 km naar Normanton die eigenlijk voor morgen voorzien zijn afleggen? Dat geeft me nog een dag extra aan de veel bezienswaardigere kust, maar zo’n knikkebollende situatie zoals een uurtje geleden is uit den boze, want dat loopt een keer slecht af! Verrassend genoeg ben ik nu terug klaarwakker en voel me zelfs goed uitgerust en dus waag ik het er op om door te rijden. En de route zelf steekt ook een handje toe, want de weg wordt wat uitdagender, met hele stukken waar er zelfs maar één rijstrook geasfalteerd is, en ik zie zelfs heel wat dieren, vooral kangoeroes, maar ook grotere roofvogels, die soms pas op het allerlaatste moment het kadaver waaraan ze zitten te peuzelen opgeven als je aan komt gereden, de grijs-roze parkieten en veel koeien en soms ook paarden. Ik ben duidelijk uit het mijngebied en in cattle country aangekomen.

In de verte zie ik een grijs bestelwagentje staan dat ik de laatste dagen al een paar keer tegen gekomen ben op campings en onderweg, een jong koppel dat hier ook rondreisd blijkbaar. Ze staan op een nogal rare plaats stil en dus minder ik vaart om even te horen of alles in orde is. Niet dus, er is een darm van hun radiator stuk gesprongen en ze kunnen dus niet verder zonder de motor fataal te oververhitten. GSM signaal is er hier op 95 km van het dichtstbijzijnde stad(je) natuurlijk niet en dus vragen ze me of ik bij aankomst in Normanton hun bijstandsverzekering wil contacteren, zodat die een takelwagen en/of mechanieker met het onderdeel kunnen sturen. Natuurlijk wil ik dat doen en even later ga ik weer door, met hun gegevens bij de hand. Het is nog lang gen schemering, maar de temperatuur is toch al een graad of 2 gezakt en de beestjes worden actiever, ik zie erg veel kangoeroes, waarbij het altijd gokken is of ze nu de weg gaan over wippen of juist de bush in, maar nu ook veel grijze kraanvogels met rode koppen. Groter dan een ooievaar, maar slanker en meestal met enkele bij elkaar. As als ze gaan vliegen merk je echt hoe groot ze wel zijn.

Naast de dieren is het ook nog altijd oppassen voor de versmalde stukken rijweg, vooral nu er ook weer road trains opduiken die een stukje deze weg nemen, ik zet me dan gewoon even opzij en laat het asfalt aan hen, spaart mij heel wat stof en opgeworpen stenen en hen de frustratie om met die mastodonten half op de onverharde berm te moeten rijden. Ook zijn er nog steeds, zoals op heel deze route vele plaatsen die bij hevige regenval onder water komen te staan (vandaar ook mijn bezorgdheid of deze route wel open zou zijn) en gewoonlijk gepaard gaan met een zonk in de weg. Het is 18u15 als ik Normanton binnen rijd, ik ga ineens door tot aan de camping, waarvan de receptie al dicht is, maar er vrij een plaats kan gezocht worden en de administratie dan de volgende morgen geregeld wordt. Voor ik een plaatsje opzoek, los ik echter eerst de belofte in om Alianz, de bijstandsverzekering van het koppel te contacteren en de nodige informatie door te geven. Ze beloven van een takeldienst te zenden, die zal daar zeker maar tegen het invallen van de duisternis zijn natuurlijk.

Ik zoek me een plaatsje op de camping, strategisch dicht bij het aantrekkelijke zwembad en niet te ver an de sanitaire blok en ga dan uitgebreid genieten van het koele water. Voor het avondeten, moet ik 3 plaatsen uitproberen, waarbij pas het 3e zijn keuken nog open is, de Mexicaanse pizza lost zijn pittige belofte helemaal in en voldaan keer ik terug naar de camping. Om de warmte wat uit de camper te krijgen laat ik de achterdeur en schuifdeur wat open staan terwijl ik nog wat aan het reisverhaal type. Het valt hier namelijk ontzettend goed mee met insecten … totdat er plots een 10cm grote sprinkhaan de boel op stelten zet door zomaar binnen te vliegen, er volgt een jachtpartij om dat ding terug buiten te krijgen en eens dat gelukt schijnt te zijn sluit ik zorgvuldig alle deuren en ga nog even naar het toilet. Bij terugkomst blijkt de onwelkome gast nog altijd aan boort en dus begint de jacht opnieuw. Uiteindelijk slaag ik erin om het best te vangen in een plastiek zak en een eind van de camper weer los te laten. Lesje nog maar een keer geleerd, laat in tropische gebieden nooit de camper in het donker open staan met het licht aan!

Vrijdag 10 november

Vanmorgen niet kunnen weerstaan aan de lokroep van het zwembad, dus na het tanden poetsen en scheren, eerst enkele lijntjes getrokken in het zwembad en dan gaan douchen. Er staan op deze 3e dag van de grote oversteek van het Top End naar de Oostkust wel heel wat kilometers op de planning, maar dat was nu eenmaal onontkoombaar. En dank zij de 2 vorige dagen zal ik het in 4 dagen doen in plaats van in 6. Bovendien gaat de receptie maar open rond 9u en moet ik daar toch op wachten. Eens dat in orde is het tijd voor een rondje Normanton, veel tijd moet dat niet in beslag nemen, want het stadje is in feite één langgerekte hoofdstraat met enkele doodlopende zijstraten, Enkele gebouwen moeten op de foto zoals de Purple pub, het Albion hotel, de oude overslagplaats voor goederen, het courthouse met de replica van de grootste krokodil ter wereld (en dan nog geschoten door een vrouwelijke Crocodile Dundee) voor de deur, een monster van maar liefst 8m64 uit een tijd dat er nog rij mocht gejaagd worden op deze dieren en er zelfs specialisten in bestonden, zoals Krystina Pawloski en haar man die in de jaren ’50 krokodillen jagers waren (het beroep waar ook de figuur van Crocodile Dundee werd op ge-ent.

Dan blijft er nog één plaatsje over in het stadje, dat ik wil zien en dat is het station en tevens de terminus van de Gulflander trein die van Normanton naar Croydon rijd en terug. Bij de Discovery kijkers genoegzaam bekend uit de reeks over treinreizen in Australië. Het treintje staat inderdaad in het station (het rijd op woensdagmorgen op en donderdagmorgen terug. Naast een nog oudere Gulflander, waaraan deze zijn naam te danken heeft, dat zit namelijk zo, de Lander was een nieuwe moderne trein met airco in een ander deel van Australië, toen na lang lobbyen deze regio eindelijk een lang gevraagde trein verbinding kreeg, met de oude open treinwagons en daarom sarcastisch de naam Gulflander kreeg. Van de 11 ooit rijdende treinen blijven er nog 3 over. Men mag hier overal in het stationnetje annex museum rondlopen, en zelfs tussen de oude treinstellen die her en der staan opgesteld.

Ik wil juist terugkeren naar de camper als een man me aanspreekt, of ik zin heb in een 40 minuten durende trip in de oude Gulflander? Natuurlijk heb ik dat, en voor 20 A$ stap ik in het open treintje, samen met een Australische. Voorts is er de machinist, die gewoon bij ons in het treinstel zit en nog een helper. Het starten gebeurt nog op oude wijze, zoal bij oude auto’s, met een zwengel, niet vreemd als je weet dat de motor eigenlijk een benzinemotor van een vrachtwagen is uit die periode. Met het blazen van een hoorn vertrekt het treintje uit het station, dezelfde toeter wordt gebruikt telkens we een onbewaakte overweg naderen (het spoorlijntje wordt alleen nog voor toeristische doeleinden gebruikt met de Gulflandertreinen, niet als commerciële transportlijn). We ratelen verder over de niet echt rechte sporen, nog steeds de originele van toen en een bewijs van de kwaliteit van een uitvinding speciaal voor deze lijn ontworpen. De spoorwegbielzen waren namelijk niet van hout, maar hol en van metaal die opgevuld werden met modder als ballast, dit om te voorkomen dat ze weg zouden spoelen bij overstromingen die hier schering en inslag waren (en nog steeds zijn, trouwens). Nu wordt ook duidelijk wat onze 2e man hier doet, na 20 minuten bereiken we ons keerpunt, waar de trein door middel van sporen in een triangel vorm in de juiste rijrichting wordt gezet door handmatig wissels om te zetten.

We keren dus terug via dezelfde route en staan even later opnieuw in het station waar het rangeren ook nog een keer wordt overgedaan, kwestie de trein opnieuw in de juiste richting te staan hebben voor een volgende rit. Ik maak gebruik van het sanitair in het stationsgebouw en lach met de melding om het wc deksel te sluiten om een invasie van de groene boomkikker te voorkomen, tot ik het deksel optil en daar inderdaad zo’n groene boomkikker in terug vind! Even doortrekken en het diertje gaat terug de weg dat het gekomen is. Op de personeelsparking staan er nog een oude Toyota BJ Landcruiser en Landrover Series broederlijk naast elkaar weg te roesten, een idyllisch beeld. Na nog een tankbeurt wordt het nu hoog tijd om te vertrekken. Ik volg daarbij tot in Croyden de spoorlijn van de Gulflander, en stop nog even bij de Black Bull Siding, een treinhalte op deze route.

De Savanah Way zoals de weg hier noemt, en ik normaal in 1996 al een keer gereden heb, blijft qua landschap en kwaliteit van het wegdek eigenlijk vergelijkbaar met het 2e deel van de Burke Development Highway. Twee rijvakken, afwisselend met één rijvak, floodway’s die gelukkig nog droog staan en kadavers van kangoeroes en koeien langs de weg. Pas nabij de Gilbert River, in het Littleton natuurpark, wordt het een stuk groener, het gras is groen in plaats van bruin, de bomen hebben donkergroene kruinen, en er staat water in bijna alle kreken. Heel erg lang duurt dat niet, want algauw staan de kreken opnieuw droog, al blijft het wel iets groener dan voordien. Als er al dorpjes op de route liggen zijn deze erg klein, of opgehouden te bestaan zoals bij de Cumberland Chimney. De stenen schoorsteen staat er nog als een reliek, en verre herinnering aan het goudstadje Cumberland, dat samen met de mijn werd opgedoekt. Ook de dam die werd aangelegd is er nog en zorgt voor een paradijs voor watervogels. In Georgetown is het weer tijd om te gaan tanken.

Nog even doorbijten en een pauze om goed wakker te blijven en ik kom aan in het Undara Volcanic National Park. Juist op tijd om te kiezen tussen het diner of de 2u durende tocht naar de batcave. Het wordt dat laatste met een driedelige invulling: een zoektocht naar de dieren die in het park leven, we zien uiteindelijk enkele Oostelijke grijze kangoeroes, een Wallaroo (of Euro genoemd), een kookaburra, en enkele zwarte roodstaart kaketoes op. Dan is er de zonsondergang van op een heuveltje met een glaasje schuimwijn, wat fruit en crackers met kaas en een gezellige babbel onder elkaar. En tenslotte een lavatunnel waaruit bij invallende duisternis honderdduizenden microvleermuizen komen gevlogen, op zoek naar insecten al maaltje. Als er met de zaklamp wordt heen geschenen, maken ze prompt rechtsomkeer en verdwijnen ze allen in de diepten van de grot, om zo gauw als de lamp uit is, hetzelfde opnieuw te doen. Bij de ingang wachten we geduldig tot enkele boomslangen proberen de vleermuisjes te vangen. De slangetjes zijn op post, en doen flink hun best met enkele uithalen, maar vangen doen ze vooralsnog niets. Geen nood, ze hebben nog de hele nacht om er één of twee te verschalken.

Voor ons wordt het wel hoog tijd om met het busje naar het beginpunt terug te keren, waar mijn camper nu al 2 uur op de 15 minuten parking staat. Het wordt een speurtocht in het donker om de mij toegewezen plaats te vinden op de camping, dan nog een snelle hap klaarmaken in de vorm van instant noedels en nog wat schrijfwerk doen aan het reisverhaal. Daarbij merk ik pas hoe vermoeid ik ben, als ik half indommel boven het toetsenbord. Hoog tijd om te gaan slapen!

Zaterdag 11 november

Toch maar een uurtje langer blijven liggen vanmorgen, er is pas een toer van de lavatunnels om 10u30 (weer dat verdomde laagseizoen), en deze zijn alleen met gids te bezoeken en duurt 2u. Ik vermoed dus dat hetzelfde systeem als bij de nachttoer wordt gebruikt, eerst door het park rijden op zoek naar allemaal beestjes, dan pas op weg naar de lavatunnels. Omdat ik ook nog een andere plaats wil bezoeken in het park wordt dat me wat te laat, dan ben ik hier maar tegen 15u weg. Er zijn hier ook met pijltjes aangeduide wandelingen die je op je eentje kan doen in het park en ik kies voor eentje van een uur, het Bluff Circuit. Eerst even registreren bij de receptie, of de bar en dan ga ik op weg. Er is hier inderdaad wel heel erg weinig volk aanwezig, niet alleen wat betreft toeristen of dagjesmensen (het is tenslotte zaterdag) maar ook qua personeel. Ik kan me niet herinneren dat dit op vorige reizen in Australië ook zo was. Sommige parken waren toen wel al eens gesloten wegens ontoegankelijk door de regen of branden, maar zo’n ingeperkte diensten, maakte ik hier nog niet mee eigenlijk.

Heel erg veel valt er op de wandeling niet te beleven, het pad loopt over enkele heuvels van rotsblokken waar ik tevergeefs hoop van een whiptail te spotten, de lokale soort wallabi dus. Jammer maar helaas, zelfs de vogels lijken deze keer verstek te laten gaan. Het is nochtans niet zo heet en verstoord door andere wandelaars kunnen ze ook nog niet zijn, want niemand had zich al aangemeld voor deze wandeling vandaag (en dat is verplicht). Vanaf de heuveltoppen heb ik een mooi uitzicht over delen van het park, ik zie enkele mooie bloemen en herken de kapokboom die de gids gisteren aanwees, met zijn vezelige vruchten. Halverwege de wandeling loopt deze langs een moeras en daar zie ik uiteindelijk een koppel kangoeroes, die me nieuwsgierig aanstaren, maar geen aanstalten maken om er vandoor te gaan. We staren elkaar zo een tijdje aan en vervolgens laat ik hen hun rust en wandel voorzichtig verder. Een zwart met witte vogel, die van gestalte nog het meest op onze spreeuwen lijkt, voert nog even een schijnaanval op mijn hoofd uit, maar ik kom heelhuids opnieuw bij de receptie aan, waar het nog even doods is als voordien.

Even uitschrijven, zodat men straks niet holderdebolder een reddingsoperatie op touw zet en dan met de camper naar een ander deel van het park, bij de Kalkani Crater. Daarvoor moet ik een stuk over een onverharde weg en daar liggen in een bocht doodleuk twee Euro’s (Wallaroo’s dus) in de schaduw van een struik op de weg te maffen. Tijd voor een foto geven ze me helaas niet en dus gaat het maar weer verder. Aan de voet van de Kalkani krater parkeer ik de wagen bij de picknick plaats, neem een extra flesje water mee en begin aan de wandeling van 2,5km. De eerste 600m gaan gestaag naar omhoog naar de kraterrim, maar het idee dat het daarna vlak is mag ik al vlug laten varen. Ik klim dus maar weer verder tot ik bij een informatiepaneel kom met uitleg over de vulkanen hier rondom. Maar ik ben meer geïnteresseerd in de zwart-wit gestreepte Bandy Bandy slang, die onder het paneel in enkele holen in de rotsen verdwijnt. Die beesten voelen blijkbaar aan de trillingen van de grond, dat er iemand aankomt, maar ik ben blijkbaar zo lichtvoetig, dat ik ongemerkt kon naderen. Ik blijf nog even zitten, in de hoop dat de slang terug tevoorschijn komt, en ga dan onverrichterzake weer verder.

Een 10-tal meter blijft een hagedis doodstil zitten in de hoop dat ik hem niet opmerk, dat doe ik dus wel, maar het diertje hoeft van mij niets meer te vrezen dan een foto. De krater rim blijkt dichter bevolkt dan het deel waar ik van morgen door wandelde want zeker een keer of 3 gaat een kangoeroe, die in de schaduw van wat bomen of struiken lag te rusten, er vandoor. De Whiptail wallabi’s zijn echter minder geneigd er vandoor te gaan, en als ik ze voorzichtig benader, kan ik best wel erg dichtbij komen, en zelfs dan verstoppen ze zich gewoon achter het dichtstbijzijnde struikje, alsof ik ze dan niet meer zie. En dat gebeurt zo wel een keer of 5 op deze wandeling. Wanneer ik helemaal rond ben, daal ik weer af, licht twee oudere dames die juist aan de wandeling willen beginnen in over wat ze mogen verwachten en geniet nog even van een picknick alvorens het park definitief te verlaten.

Mijn route voert me nu door het 40 Mile Scrub National Park, volgens de infoborden op een rustplaats naast de weg, een voorbeeld van een “droog” tropisch woud, veel verschil met de begroeiing die ik de hele dag al zie, merk ik echter niet. Volgende pauze om dichtvallende oogleden te voorkomen de Innot Hot springs. Niet echt fotogeniek, de ondiepe plassen in de verder droge bedding van de rivier, in de zanderige delen van de bedding kan je dus een kuil graven om lekker in te gaan liggen gaarstomen.
De wandeling en een ijsje hebben er voor gezorgd dat ik weer helemaal fris achter het stuur van de camper kan gaan zitten. De buitentemperatuur is ondertussen gestaag aan het dalen en haalt nu nog amper 20°C ! De wolken pakken zich samen en er lijkt regen aan te gaan komen. Ik rijd het Millstream Falls National Park binnen en neem voor de 340m lange wandeling voor alle zekerheid toch maar de KW mee. Die heb ik gelukkig nog niet nodig, en de waterval is best mooi om te zien, volgens de borden ter plaatse, is ze zelfs de breedste in zijn soort in heel Australië.

Ik bereik nu het gebied van de Atherton Tablelands en neem de scenische route naar Millaa Millaa. Een prachtige kronkelende weg waar je je het ene moment in de Alpen en het andere moment in het tropisch regenwoud waant. Ik dacht me hier al op het Millaa Millaa Waterfall circuit te bevinden, maar dat blijkt niet te kloppen. Dan maar eerst naar het Millaa Millaa Tourist Park, waar ik alvast mijn overnachting vastleg. Ook de informatie over de watervalroute is er beschikbaar en weet men me te zeggen waar ik terecht kan om te dineren in het dorp. De temperatuur is nu gezakt naar 18°C en dat is best fris als je van 20° meer komt! De hemelsluizen openen zich nu ook en het lijkt er niet op dat dit een korte tropische bui is… . Bij mijn eerste waterval is het nog droog wanneer ik naar het viewpoint wandel om de prachtige Millaa Millaa cascade te bekijken. Volgens de gekregen info, kan je in het meertje veilig zwemmen, geen krokodillen, stingers of andere onaangename beestjes, wel schildpadden en catfish waaronder een zeldzame witte blijkbaar. Het is echter niet het weer om daarnaar op zoek te gaan. Hetzelfde geldt voor een zoektocht naar eventuele Platypus (vogelbekdier) of boomkangoeroes verderop in de kreek. Terwijl het nu echt begint door te regenen rijd ik 8km verder naar de Zillie Falls, gelukkig loopt het wandelpad daar onder het dichte regenwoud, zodat ik relatief droog blijf en ook hier is de waterval dik de moeite waard, net als de vorige valt ze over een basalten rotswand in een meertje er onder. Nog 2 km verderop is het dan de beurt aan de Elinjja Falls, en er valt deze keer niet te ontsnappen aan de regen, bovendien moet ik over een glibberig pad een heel stuk naar beneden, naar de voet van de waterval om ze mooi in beeld te krijgen. Er is nog juist genoeg licht om er een prachtig plaatje van te maken.

Ik keer weer naar het centrum van Millaa Millaa terug om te horen of de keuken van de pub nog open is en dat blijkt geen probleem, ik krijg er zelfs nog gezelschap van andere toeristen waaronder twee Franstalige koppeltjes. Eigenaardigheid van vele van die restaurantjes hier, is dat je zelf je bestek moet gaan halen dat klaar ligt op een aparte tafel. De kippenschnitzel met frietjes, sla en pepersaus smaakt me in elk geval goed, net als het vanille-ijs met chocoladesaus trouwens. Nog het kleine eindje naar de camping, bed klaar leggen en nu ook maar de meegeleverde dekbedden een keer gebruiken denk ik!

Zondag 12 november

Vannacht heeft het nog een paar keer goed geregend, en gezien de temperatuur van gisterenavond en ook vanmorgen nog, besluit ik mijn short maar om te wisselen voor een afritsbare lange broek. Daar kan ik nog alle kanten mee uit. De kant die ik vooralsnog uit ga is deze richting Malanda, waar ik even stop bij de Malanda Falls, waar er druk aan een eendenrace gewerkt wordt. De eendjes gaan in massa over de waterval gejaagd worden, plastieken badkuipeendjes hé, anderen zouden sowieso wegvliegen. Vervolgens gaat het verder richting Yungaburra, en dat om naar een boom te kijken. Of eigenlijk naar de parasitaire figtree die een boom helemaal ingekapseld heeft met zijn luchtwortels. Het is in elk geval een indrukwekkend exemplaar. In hetzelfde stadje is er ook een riviertje waar je kan trachten naar Platypussen te speuren, een eigenaardig uitziend dier, dat als enige zoogdier, samen met nog één ander, eieren legt in plaats van jongen te baren. Er zou ook kans bestaan van boomkangoeroes te zien, doch beiden laten het afweten en ik moet me tevreden stellen met enkele schildpadjes die elkaar van een uit het water stekende boomstronk duwen. Gelukkig lebert heet reviertje ook nog wat pittoreske beeldjes op. Nog in Yungaburra is er dan nog de Avenue of Honor, een gedenkteken voor de in Afghanistan omgekomen Australische militairen van 2002 tot 2013. Dit laatste bevind zich aan de oevers van het Tingaloo meer.

Op weg dan naar nog enkele meren, namelijk het Crater lakes Nationale Park, met zoals de naam het zegt, 2 meren die ontstaan zijn in voormalige vulkaankraters. Het is zondag en dus zijn er ook veel dagjesmensen die hier komen picknicken en zwemmen. Alleen één zoetwaterkrokodil hier in het eerste meer, dus daar hou je een Australiër niet mee uit het water. Tenslotte zijn die niet zo gevaarlijk als een zoutwaterkrokodil, deze bijten je allicht alleen een arm of been af als je te dicht bij komt. Maar een beetje lassie of bloke van Oz overleeft dat wel! En het moet gezegd, het water ziet er ook heel erg aantrekkelijk uit en ik twijfel hard om ook een duik te nemen, doch daar is helaas de tijd niet voor. Gezien het al middag gepasseerd is, kies ik er nog wel voor een Griekse salade te eten in het restaurant aan de oever van het 2e meer. Al bij al is het 14u voor ik weer vertrek richting Gordonvale, ik rijd hier eigenlijk constant van het ene Nationale Park het andere binnen, en dit is bovendien een Unesco beschermd gebied, als één van de meest intacte natte regenwouden op aarde. Na de alpachtige bergen van deze morgen, rijd ik nu permanent door een dichte jungle, die soms bijna een tunnel boven de camper vormt. De weg slingert zich in ontelbare bochten door het kustgebergte, erg prettig om te rijden, maar ook een route die veel concentratie vraagt.

Van Gordonvale naar Cairns wordt het dan vlakker, maar ook een stuk drukker, dat had ik dit verlof in Australië nog niet tegen gekomen. En ook sinds Mt Isa nog een keer rode lichten. Cairns mag dan toeristisch gezien een grote stad zijn als gateway naar het Great Barrier Reef en de Tropische regenwouden van Noord Queensland, een echt grote stad is het niet, je ziet er amper hoogbouw. Ik ga er alvast langs bij een touroperator waar ik voor dinsdag een snorkeltrip van een ganse dag op het Great Barrier Reef boek. Vervolgens verlaat ik de stad waar ik dus later nog terugkom om richting Het Daintree National Park te rijden. Dit is wederom een prachtige route, waar de bergen, het regenwoud, de oceaan en het rif elkaar ontmoeten. Eerst echter moet ik nog door de suikerrietplantages, die hier veelvuldig aanwezig zijn. Gelukkig is het nu geen oogsttijd, want dan rijden hier constant Canetrains, treintjes op smalspoor, die het gekapte suikerriet naar de verwerkingsfabrieken brengt en er een walgelijke, zoete geur door die fabrieken wordt geproduceerd, die me een beetje doet denken aan de geur in Schotse dorpjes met een whisky distilleerderij. Die treintjes hebben overal voorrang en ook op de wegen rijden er dan nog veel canetrucks rond die hetzelfde doen. Er liggen dan veel stukken suikerriet op de wegen, die van de transporten vallen. Maar gelukkig is dit daar niet het seizoen voor en staan de treintjes en oogstmachines werkloos naast de boerderijen te wachten.

Eens bij Palmcove volgt de weg de grillige kustlijn en soms slaan de golven op nog geen meter van de baan tegen de rotsen. Ook heel wat idyllische strandjes met palmbomen en wit zand, zo klaar voor een brochurefoto voor de toeristische dienst. Maar evengoed keert de weg soms een stukje het regenwoud in, over bruggen met bomvolle kreken, of een stuk omhoog de bergen in, met knappe panorama’s van de kustlijn. Ongelofelijk hoe dit in 20 jaar geëvolueerd is, toen we indertijd Cairns verlieten, was het alsof we de beschaving achter ons lieten, evenals de geneugten van het moderne comfort. Nu is die grens een stuk Noordelijker komen te liggen, zo ongeveer vanaf Cape Tribulation, waar een stevige 4x4 en een gezonde dosis lef onmisbaar zijn. Ik ben nog net voor de schemering in het Daintree Village en wordt hartelijk ontvangen door de eigenaar die van zijn receptie een klein museum gemaakt heeft met als pronkstuk een Ford Mayline, half personenwagen, half pick-uptruck een combinatie waarmee men hier graag rondrijdt.

De campingeigenaar geeft me nog wat tips voor de reis naar Cape Tribulation van morgen en maakt me ineens arm voor een krokodilsafari op de Daintree River en een 2e door het regenwoud. Ik boek die dan ook voor morgen en ga vervolgens, na de camper op zijn plaats gezet te hebben, een stukje eten in het hotel/restaurant aan de overkant van de straat. Er staat varkensgebraad met groentjes op het dagmenu van vandaag. Eens terug in de camper de financiën eens nakijken aan de hand van de betaalwijzen, en mezelf een bult schrikken, van wat ik al gespendeerd heb. Ja goedkoop is Australië niet ! Dan hopelijk om een redelijk uur in bed na nog wat schrijf en typewerk.

Maandag 13 november

Vanmorgen regen en dat ziet er niet goed uit om met een boot de rivier op te gaan, maar we zullen wel zien wat het wordt. Tussen 2 buien in is het tijd om van de camping naar de kade te wandelen waar de boot ligt, en gelukkig heeft die een dak. Onze gids en stuurman is een kerel die wel van een grapje houdt en dat zullen we geweten hebben, o ja en praten doet hij ook heel graag. Hij heeft meteen goed nieuws, want gisteren zag hij een grote mannelijke krokodil die een heel varken te pakken had gekregen en de rest van de dag het ding aan het oppeuzelen was. Daarmee is ineens ook de mythe weg dat krokodillen maar met kleine beetjes tegelijkertijd eten, die men in de krokodilfarms nogal eens wil opdringen. De beeste zijn opportunisten en als er te eten valt, eten ze tot ze niet meer kunnen. Dit wilde varken had zich te dicht bij de kant van de rivier gewaagd om van wilde tarobladeren te smullen en werd toen zelf deel van een menu. En het geluk is met ons want de 4m lange krokodil ligt op de graskant lekker te soezen met de bek wijd open. Hij kan nu wel een tijdje verder zonder eten (tot een jaar in tijden van schaarste door zijn metabolisme te vertragen).

Je ziet de kracht van het beest van zich afstralen, met zijn sterke staart kan hij met één zwieper zijn honderden kilo’s zware lichaam tot 2m uit het water lanceren, en dus zeggen de praktische Ozzies dat 3m van de waterkant een veilige afstand is. We komen ook nog te weten dat de weiden hier alleen aan de straatkanten worden afgespannen (en zelfs daar niet lang altijd), maar niet aan de rivieroevers, omdat hier elk jaar grote overstromingen zijn die het water tot 10m hoger kunnen laten stijgen. Dat zou dus betekenen dat ze elk jaar opnieuw de omheining moeten herstellen, en dan nemen de veeboeren liever het risico dat er al eens een kalf of verzwak rund in een krokodillenmaag verdwijnt. Een volwassen, gezond beest, van enkele ettelijke honderden kilo’s zullen ze zo gauw niet aanvallen of het moet zelf al in het water gesukkeld zijn. We krijgen ook wat inzicht in het herstellen van de rivieroevers, in de jaren ’60 werden op veel plaatsen de mangrovebomen van de oevers verwijderd, om die vrij te maken. Maar laten die nu juist een bescherming van die oevers en voedingsbron voor het begin van een hele ecosysteem zijn. Op plaatsen aan de Goldcoast waar alle mangroven weggehaald zijn, is de oevererosie veel erger en het vissenbestand die van de mineralen aten die de bomen aanmaakten enorm vermindert. Evenals de krokdillen natuurlijk. Vandaar dat het weghalen van de op hoge wortelpoten staande mangroves nu verboden is, met oplegging van hoge boetes, en er nieuwe mangroves worden aangeplant.

Behalve een witte reiger en enkele kleinere volgelsoorten zien we stroomopwaarts niet veel interessants meer en dus keert onze gids om, om het stroomafwaarts nog een keer te proberen. Ons groot mannetje ligt nog steeds in dzelfde positie, maar verwaardigt het nu, van zijn grote bek een keer helemaal open te trekken, voorwaar een indrukwekkend gebit, heeft het beest. Nog geen kilometer verder komen we een zwemmend 2e exemplaar tegen ook, een mannetje zegt onze gids, en we geloven hem graag, want de enige manier om vast te stellen of het een mannetje of vrouwtje is, is door het beest op zijn rug te rollen, je vinger in een opening te steken en voelen of er een geslachtsorgaan te vinden is. Onze man aan het stuur is alvast geen kandidaat, en ook in de boot is er niet direct iemand te vinden om het even te checken. Net als het vorige exemplaar heeft ook deze wonden aan de bek of snuit, het territorium van beide grenst aan elkaar en in de paartijd moet er nogal een keer een territoriaal dispuut geregeld worden om het recht op een vrouwtje vast te leggen.

Onze gids wijst ons op enkele boomvrije grashellingen boven de rivieroever en licht toe dat dit de weides zijn waar de veeboeren hun dieren naartoe brengen als de overstromingen er aan komen. Op een zandbank een eindje verderop ligt een vrouwelijke krokodil (of een jong mannetje, voel u vrij om het na te zien) zich op te warmen. Deze koudbloedige dieren hebben warmte nodig om hun voedsel te verteren, bij regen wordt het rivierwater kouder en komen ze nogal een keer op de kant liggen zonnen (al is die nu grotendeels afwezig), wanner het warme zeewater binnen stroomt bij vloed, keren ze dan terug in het water. En ons geluk en dat van onze gids kan niet op, want een tweede exemplaar ligt enkele honderden meters verder in het gras. Een laatste bezoek aan onze grote vriend levert alleen een koude douche op want het begint te stortregenen, en onze dinosauriër ligt nog juist hetzelfde. O ja het enige dat er sinds de dinosaurus tijden zou verandert zijn aan deze reptielen is hun lengte, is nu 8 tot 9 meter het record, toen was dat tot 20m!

De krokodilsafari zit er op en ik maak me op om te vertrekken richting Cape Tribulation, daarvoor moet ik de Daintree rivier (waar ik zojuist nog op voer) over met een overzet een 10-tal kilometer verderop. Juist voor die ferry is de 2e riviercruise, die gratis is als je één van beide boekt. Er zijn momenteel geen andere gegadigden, en hoewel ze best voor mij alleen de tocht willen doen, stel ik voor op de terugweg nog even te proberen, deze namiddag. Zo spreken we af en even later rijd ik de ferry op, die met kabels naar de andere kant wordt getrokken. Deze route is één en al nostalgie naar een verleden dat 20 jaar achter me ligt en die mij met mijn broer Jacques en onze kameraad Jan met een Landcruiser 4x4 camper op een avontuurlijke tocht naar de top van het schiereiland Cape York bracht. Rivierdoorkruisingen, modderige zandwegen, doodlopende pistes, tropisch regenwoud dat amper het zonlicht tegenhield en een volwassen Cassuary die ons met de neus tegen de voorruit deed belanden. De Cape York punt zouden we nooit halen door overstroomde rivieren. Deel van die herinnering was Crocodylus Village waar we destijds overnachten en in mijn herinneringen leeft als een donkere, zwoele, vochtige plaats. Meestal is het geen goed idee om naar zo’n plek terug te keren, maar deze keer lijkt dat nog net zo te zijn, ondanks de asfaltweg.

Die asfaltweg neemt wel veel van de charmes van deze route weg, waar nu niets avontuurlijks meer aan is (tot Cape Tribulation in elk geval), het is hier druk en overal vind je bordjes naar lodges, campings en andere toeristische trekpleisters. Doch de doorkijkjes naar paradijselijke stranden, waar het regenwoud tot letterlijk in de zee loopt zijn er nog steeds en de weg kronkelt zich nog altijd door die jungle voor een groot deel. Eén plaats waar ik wel wat tijd aan wil spenderen is het Discovery Centre. Ik wandel er de Canopy tour hoog tussen de bomen op een metalen walkway, beklim er de toren van 23m hoog die je tot in de hoogste regionen van het gebladerte van het regenwoud brengt , loop er de Cassuary walkway, zonder de reuze loopvogels, die van grote tussen een Emoe en een struisvogel zit, te zien. Ga op onderzoek uit op de Bush Tucker wandeling, waar nu een keer niet de larven en andere insecten het voorwerp van zijn, als het over Aborignal maaltijden gaat, maar over de planten, bessen, kruiden, pitten, fruit die als voedsel en medicijnen werden gebruikt en soms nog.

Er is dan nog een heus dinosaurustrail waar geanimeerde dinosaurussen bewegen en brullen. Australische varianten wel te verstaan, dus geen T-rex of dergelijke. Aan de uitgang zitten twee papegaaien los, een overheersend groene en een rode, die eigendom zijn één van de medewerksters en mee mochten naar het werk. Als ze wat veel van hun neus maken (of bek in dit geval) komt het baasje een keer een kijkje nemen en dan zitten ze in een wip op haar schouder. Heel erg fotogenieke vogels, die je in het wild maar zeldzaam een keertje te zien zal krijgen en dan nog van op grote afstand. Met dit alles is het al vrij laat geworden en ik zet dan ook koers naar de Cape. Daar zijn er wegenwerken en wordt de parking met agressieve borden voorbehouden aan de shop, de camping en de lodge. Je kan hier zelfs bijna niet te voet door naar het strand van de Kaap Tribulation. Gelukkig is er enkele honderden meters verder nog wel die mogelijkheid, maar het is echt een plek waarvoor geldt dat niet de bestemming maar de weg er naartoe het de moeite waard maakt. Ik wil persé nog 2km verder rijden naar waar het asfalt ophoudt, en de nostalgie van vroeger op te roepen, en dat lukt warempel nog ook!

Tijd om terug te keren dan, een snelle stop bij de shop voor een broodje en een punt blauwe kaas dat mijn late lunch voor onderweg vormt, en dan de al gekende weg in omgekeerde volgorde afleggen. Bij de stranden stop ik toch nog voor een fotomoment en ook de artisanale ijsmakerij, die alleen ijsjes van lokale exotische vruchten maakt, kan ik niet ongemerkt voorbijrijden. Moeilijk sturen trouwens met zo’n potje Passievruchtenijs op 3 manieren, in je handen. Op de ferry lepel ik het laatste ijs uit en 100m verder is het tijd voor de boottocht. Tot ergernis van de gids willen de krokdillen zich deze keer niet laten zien, zelf niet bij de stinkende resten van een uit elkaar gereten koe, waaraan zich al enkele krokodillen hebben tegoed gedaan. Het instromende water van de zee heeft de reptielen terug in het water gelokt. Als goedmakertje krijgen we nog wel een groene boomslang te zien, van heel erg dichtbij. De gids verontschuldigt zich bij het aanleggen voor de afwezighi van de krokodillen, maar het is nu éénmaal geen zoo, dus voor mij was dat niet nodig. Trouwens diegene die dit als 1e boottochtje deden, hebben morgen nog een tweede gratis kans in Daintree Village.

Ik heb nu nog een goede 100m te bollen naar Cairns, en moet daar sowieso zijn, gezien ik afgesproken heb om me te laten afhalen in het Cairns Holiday Park om 7u ’s morgens voor mijn snorkeltrip op het Great Barrier Reef. Rond 19u kom ik daar aan en boek ineens voor 2 nachten. Een restaurant is er ter plaatse niet en met frisse tegenzin begin ik aan een wandeling van 1km naar het dichtstbijzijnde restaurant. Als beloning trakteer ik mezelf op een half dozijn oesters, de hoofdschotel met vis is niet voorradig en dus wordt het kip in een wijnsausje met een puree van gemengde groenten. Het reisverhaal dat is voor later, in de camper alles klaarleggen voor de trip van morgen en vroeg op om 5u00!

Dinsdag 14 november

Vanmorgen wakker geschrokken van een pijnlijke kramp in mijn linker kuitbeen, nadat die wat weggetrokken was nog een uurtje verder geslapen en om 5u op om te douchen, de overal pijnlijke spieren beloven voor het snorkelen straks. Na het ontbijt maar ineens een Touristil genomen tegen zeeziekte en dan wachten op de transfer. Die is er netjes op tijd en brengt me naar de haven. De boot is een stuk groter dan wat ik verwachtte aan de hand van de brochure en zit goed vol met duikers, snorkelaars, mensen die met glazenbodem boot gaan varen en enkele die als optie ook een helikoptervlucht over het rif gaan maken. Eerste werk bij de verwelkoming aan boort, vinnen, masker en snorkel gaan aanpassen en in het “natte rek” leggen. We zijn hier letterlijk allemaal een nummer, dat gebruikt wordt voor zowat alles, aanrekenen van extra opties die je neemt, safety controle na het aan boord komen na het snorkelen, als de safetyguard je iets wil toeroepen vanaf de boot (als je te ver afwijkt, om te zien of alles in orde is, enz,…).

Dan volgt het meest gehate stuk, de boottocht uit de haven de zee op, ik hou het vrij lang vol, maar eens enkele anderen hun ontbijt terug geven, volg ik niet veel later, het hele achterdek, de meest luwe plaats, staat vol met in zakjes brakende mensen. Het is met volle verwachting uitkijken naar de ligplaats van de boot. Eens we daar zijn houden de ergste schommelingen op en is de zeeziekte voor iedereen voorbij. Het plezierig vooruitzicht van het snorkelen, zet dit niet zo frisse intermezzo, al snel op de achtergrond. Er wordt nog even een safety briefing gegeven met de gebruikte handsignalen en dan kunnen we van start met een eerste sessie van 3u snorkelen. Het duikplatform is in 2 gedeeld, links en linksachter voor de snorkelaars en rechts en rechtsachter voor de duikers met hun zware materiaal. Ik heb me nog ingeschreven voor een snorkelsessie met de jonge biologe, die wat meer informatie zal geven over de koralen en vissen. Vooral omdat ik hoop dat zij enkele zaken zal kunnen laten zien, die ik anders gemist zou hebben, en ja het gaat dan over het rif!

Ik snorkel eerst een uurtje op mezelf en ondanks dat het erg mooi is, is het niet het kleurenfestijn dat ik had verwacht van het Grote Barriere Rif. Natuurlijk zijn er heel wat koralen in alle vormen, maten en kleuren, doch de overheersende tonen zijn gebroken wit en bruintinten. En dit is dan het buiten rif dat het minst aangetast zou zijn door koraalverbleking (20 jaar geleden voeren we met een zeekayak naar Snapper Island (nu een National Park) in het Inner reef, waar we voor het eiland een rif voor ons alleen hadden, en dat was zeker niet minder dan wat ik nu zie). Voor iemand die dit voor de eerste keer ziet zal het best nog wel indrukwekkend zijn, maar ik heb natuurlijk ook de ervaringen in Hawaii, Tahiti en vooral de Tuamotu eilanden die een duiker- en snorkelparadijs zijn. Daarbij verbleekt dit zo bekende rif toch (letterlijk en figuurlijk). En ongewild vraag je je af of het een slachtoffer is van zijn eigen succes. De snorkeltour met de biologe en een ouder koppel brengt ook niet het verhoopte, vooral omdat het koppel geen ervaren snorkelaars zijn en wat meer uitdagende zoektochtjes dus geen optie zijn. Maar ach ik heb 3u om mij uit te leven en mis daar geen moment uit het water van.

Voor het vertrek naar de volgende duik- en snorkelplaats is er de lunch bestaande uit vlees, vis of kip met een saladebar. Tijdens die 15 minuten durende tocht kies ik voor het meest doeltreffende middel tegen zeeziekte voor mij, gewoon verticaal gaan, liggen dus… . Bij de 2e stop zijn er beduidend minder snorkelaars, maar het is hier ook dat de glasbodemboot en de helikoptervluchten vanop een platvorm plaatsvinden. Maar goed ook want het is hier een stuk ondieper en dus mag je alleen aan de randen van het rif zwemmen om jezelf en het rif te sparen, en dus is er ook heel wat minder plaats. Dat ongeschonden uit het snorkelen komen is me trouwens niet gelukt, gezien ik bij de eerste snorkelbeurt al mijn linker onderbeen kwets (was die kramp vanmorgen een voorteken?), niets erg alleen wat irritatie door het zoute zeewater natuurlijk. Dat de koralen hier minder zijn dan vanmorgen is normaal, want hoe dichter bij het oppervlak, hoe warmer het water en hoe meer kans op verbleking e afsterven van koraal. Maar zoals gezegd het blijft zeer zeker zijn geld waard, en ook nu blijf ik de maximum 2u in het water, op fotojacht naar alle kleurige tropische vissen die je anders alleen in aquaria ziet. En er zijn fameus grote exemplaren bij. Vooral de papegaaivissen met hun prachtige kleurschakeringen springen in het oog, maar evengoed de gele doktersvissen en de tientallen andere soorten waarvan ik de naam niet ken.

Tegen een meerkost van 10 euro was het ook mogelijk om zich een stingerpak of zelfs een neopreenpak aan te meten, maar ik had zo iets van als het niet verplicht is, dan zal het ook niet echt nodig zijn. En inderdaad, op een gegeven moment waren er wel enkele kleine kwalletjes, maar niets ernstig. Ook de grotere zeezoogdieren zoals haaien, roggen of zelfs schildpadden zag ik niet. Al bij al een mooie dag die nog even zal blijven hangen, al was het maar door de verbrande hoofdhuid door het haar heen, achterkant van de benen en het gezicht. De hele terugweg breng ik liggend door en zo raak ik zonder verder ongemak weer in de haven. Nog even de transfer met opnieuw een praatgrage, vriendelijke Ozzie en rond 17u00 sta ik weer op de camping. Nog even het natte goed te drogen hangen, de planning voor de volgende dagen eens bekijken, om te zien waar ik de 1e van de 2 extra dagen ga doorbrengen, wat uiteindelijk Cairns en omgeving zal worden, enkel dingen die ik gisteren gemist heb, wegens de late terugkeer. Zin om naar het restaurant te wandelen is er niet, de honger ook niet en dus haal ik maar wat schrijfwerk in en bekijk alvast of er enkele foto’s van de duikcamera gelukt zijn.

Woensdag 15 november

Zoals gezegd dus blijf ik vandaag nog in de omgeving van Cairns, het is te zeggen, ik keer terug naar Mossman in het noorden, zo’n 70km verderop. Bij de start is het nog zonnig, maar al gauw komen er donkere, grijze wolken aan. Je merkt dat het regenseizoen hier al een stuk actiever is dan in de Top End. Als ik stop bij de Opal Mine, een in opalen en parels gespecialiseerde winkel, is het goed aan het regenen, maar tegen dat ik buiten kom met enkele aankopen, is het opnieuw droog. Ik stop nog bij enkele stranden voor nog wat foto’s en neem vervolgens de afslag naar Mossman Gorge. Van uit het bezoekerscentrum moet je met een busje een stuk de kloof in, voorbij een Aboriginal stadje, dat alleen met een lokale gids van het dorp mag bezocht worden (tegen betaling van 60 A$!). Het wandelpad dat ik door de kloof en het lowland tropical rainforest volg is 2,7km lang en begint met een stuk verhoogde walkway. Enkele mensen staan daar op een gegeven moment foto’s te nemen en te wijzen. Enkele meters lager ligt er op de bodem een slang, waarvan ik ermoed dat het een python is. Het is ongelooflijk hoeveel slangen ik deze reis reeds in het wild zag, meer dan op al mijn andere reizen samen gok ik zo!

Ondanks de vele auto’s op de parking is het erg rustig op het wandelpad, alleen waar deze bij de rivier komt, troepen de mensen samen om een plons in de rivier te nemen, wat nochtans ten stelligste afgeraden wordt, want met de regen van afgelopen dagen is de waterstand in de rivier die vol met grote rotsblokken ligt, sterk gestegen. De kracht van het water is daarmee nu zo groot dat ze die grote blokken een stuk kan meesleuren. En dat er allerlei kolken en onderstromingen ontstaan. Maar goed ik vermoed dat de Australiërs het credo “wat ons niet dood, maakt ons sterker” huldigen. In het woud is het stil op de roep van de vogels na. Vele van de bomen hier ontwikkelen in deze drassige grond “plaatwortels” die het oppervlakte waarmee de boom vastzit vergroten. Het komt er op neer dat de wortels grotendeels op de grond zitten en minder onder de grond en soms echte platen vormen. Andere hebben dan weer wortels zo dik als een doorsnee boom die op de bodem liggen en zo uitwaaieren. Toch komt het voor dat zo’n boom ontworteld wordt, bij bijvoorbeeld een cycloon en dan ontstaat er opeens een groot gat in het woud dat al gauw ingenomen wordt door opportunistische planten, die daarin gespecialiseerd zijn. Ook veel epifyten, slingerplanten, lianen en wurgvijgenbomen die zich al dan niet ten koste van de gastheer omhoog of omlaag slingeren rond een boom. Zo ontstaan er verschillende “verdiepen” in het bos, met allemaal hun specifieke eigenaardigheden en zelfs bewoners.

Overal zie ik sporen van wilde zwijnen die de grond omgewoeld hebben, maar de beesten zelf blijven uit het zicht. Naast de lianen zijn er ook veel varens in deze bossen, het is echter wel opletten, want sommige daarvan hebben venijnige stekels aan hun stammen of bladeren. Door het dichte bladerdak blijft er veel vocht in het woud hangen en dat voel je goed, want alles wordt klam. Na de volle ronde afgewandeld te hebben kom ik terug bij de bushalte en gezien het al 13u is besluit ik in het restaurant van het bezoekerscentrum maar een meat pie te eten als lunch, één van die typische Britse gerechten die met de kolonisten meegekomen is. Het duurt vrij lang voor de bestelling gebracht wordt en daardoor is het ook al vrij laat wanneer ik opnieuw vertrek met de camper richting Kuranda. Daar zijn enkele dierenparken die ik graag wil gaan bezoeken. Onderweg is er ook nog een krokodillenfarm, maar die heb ik al genoeg in Darwin en ondertussen ook in het wild gezien. Mijn eerste gedacht was van de kabelbaan van 16km (!) naar Kuranda te nemen en terug te komen met het toeristische treintje, maar dat zal niet lukken gezien deze beide er reeds om 15u30 mee stoppen, wat me belachelijk vroeg lijkt.

Wanneer ik dan om 15u34 aankom in Kuranda, blijkt dat alles daar sluit om 16u00! Niet alleen het Koala park, maar eveneens het vogelpark en de vlindertuin! Ik met dus een keuze maken en kies dan maar voor de Koala Gardens. Ondanks de naam zijn daar ook nog heel wat andere dieren te vinden, zo zie ik er verschillende soorten wallabies, een kangoeroe, Quokkas (ook een buideldier, ter grootte van een kat) en een snoezige wombat. Overal rennen er hier hagedissen, mini draakjes en bush Turkey ’s rond, die laatste gaan het eten uit de kommen van de andere dieren stelen. Er zijn hier ook een aantal krokdillen, maar deze keer de fresh water variant, die een stuk minder indrukwekkend en agressief zijn dan hun grote broers. In het Nocturnal house tenslotte zie ik Bilbies (lijkt wel een kruising tussen een muis en een konijn), en vliegende eekhoorns. Er zijn nog enkele terrariums met de nodige slangen en dan ben ik wel rond, kans om de birdworld en de Butterflie sanctuary te zien is er niet meer, zelfs de souvenirshops hebben hun koopwaren afgedekt in de overdekte markt en de rolluiken gesloten.

Dan maar naar het Barron Gorge National Park, waar ik een kijkje ga nemen bij de Barron Falls, die best indrukwekkend zijn. De gelijknamige rivier stort zich hier over een rotswand de kloof in die een soort kom vormt met meertjes op verschillende niveaus. Dankzij het wandelpad, door weer een regenwoud, van 1,3km lang krijg ik de kans om de kloof en de cascades van verschillende standpunten te bekijken. Ik zie er ok het spoor van het toeristentreintje dat oorspronkelijk aangelegd werd om hout naar de kust te brengen. Ik keer via dezelfde weg weer terug en neem nog een kijkje bij een 2e viewpoint met zicht op de Lower Barron Gorge, maar die is lang zo indrukwekkend niet. Tijd om teug te keren naar Cairns. Voordat ik me naar de camping begeef, wil ik echter eerst nog even langs de Esplanade, de boulevard langs de zee, met palmbomen, grasperken, een reddingshelikopter stand-by voor het aan de overkant van de straat gelegen hospitaal en veel mensen die hier komen sporten, van boks trainingen, over joggers, wandelaars of gewoon mensen die zitten te keuvelen.
Op naar het Cairns Holiday park dan, waar ik toch nog snel even van het zwembad geniet (al is het dan in het donker) om wat af te koelen. Ik maak me vervolgens een soepje klaar en ben gesteld voor de avond. Mijn dagelijkse schrijfrituelen nog en proberen van die stomme wifi een keer aan de gang te krijgen!

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » ma 20 nov, 2017 10:06

Donderdag 16 november

Vanaf nu gaat het dus steeds naar het zuiden en in principe begin ik nu ook aan het deel van de reis dat volledig nieuw is voor mij, gezien ik de voorbije route al geheel of gedeeltelijk gedaan had op vorige Australië reizen (met uitzondering van de rit tussen Tennant Creek en Normanton, die ik op een vorige reis via de onverharde Savannah Way deed). De oostkust tussen Cairns en Sydney ontbrak echter nog op het palmares, ondanks dat ik beide steden zelf wel al aandeed respectievelijk als eindbestemming en startplaats op mijn reis van 1996. Eindelijk krijg ik de zon ook nog een keer in volle glorie te zien, na de voorbije grijze (maar nog steeds warme) dagen. De achterkant van mijn kuiten, dijen en armen, vonden echter dat ze tijdens het snorkelen al meer dan genoeg zon te verdragen kregen en zijn ondanks het insmeren vuurrood en een beetje pijnlijk. Komt daarbij nog de schaafwonden aan mijn linker achterbeen van tegen het koraal te schrapen en het mag duidelijk zijn dat ik daarvan nog enkele dagen wat kleine ongemakken ga ondervinden.

Bij het verlaten van de stad valt het onmiddellijk op dat het zuiden een stuk gecultiveerder is dan het ongerepte noorden. Aaneengesloten velden met rietsuiker en bananenplantages hebben de plaats ingenomen van het natte tropische laagland regenwoud zoals het officieel noemt. Alleen op moeilijke plaatsen rond kreken en op de berghellingen blijven er nog stukken ongerept woud over. Het wordt me nu ook duidelijk dat de rietsuikeroogst op sommige plaatsen toch wel bezig is, met volgeladen treinwagons die naast gekapte velden staan, klaar om naar de molen te brengen, die het zal verpulveren en er zo de rietsuikerstroop aan te onttrekken. Ook aan de molens (denk hierbij niet aan een windmolen of zo, maar een echt industrieel complex met hoge schoorsteen die constant rookwolken uitspuwen of het stoomlocomotieven zijn en zoals eerder gezegd, een vrij onaangenaam luchtje verspreiden. Aan de velden te zien waar zowat alle groeistadia van juist geplant tot oogstklaar te zien zijn, kan men hier meerdere keren per jaar de hele cyclus van planten tot oogsten doorlopen.

De eerste stop vandaag zijn de Babinda Boulders, te vinden in zo’n pocket regenwoud aan een kreek. Er wordt gewerkt aan de parking en enkele wandelpaden en ik vrees al een beetje dat dit een beetje tijdverspilling gaat zijn. De kort wandeling naar de alternatieve zwemplaats bevestigd dat en ook het wandelpad van de goudzoekers dat weliswaar door puur regenwoud loopt, waarbij ik 3 kreken moet oversteken, is niet waar ik naar op zoek ben. Volgens de reisgids moeten er hier nochtans indrukwekkende rotspartijen te zien zijn in de rivierbedding. Terug op de parkeerplaats merk ik enkele mensen op die tussen de afspanningen van de werken door toch een pad volgen, en inderdaad alleen de toegang tot de originele zwemplaats is niet bereikbaar, maar het achterliggende wandelpad naar de Babinda Boulders is wel degelijk vrij. Na opnieuw een tochtje door het regenwoud over een zichtbaar nieuw pad, kom ik bij het eerste uitkijkpunt waar inderdaad de beloofde chaos van rotsen te vinden is, waartussen de rivier zich een weg baant. Op sommige plaatsen zijn er natuurlijke zwembaden gevormd, maar ook daar is het oppassen geblazen, want een tropische regenbui in de bergen kan deze bassins in een wip in een doldraaiende mixer doen veranderen en dan vinden ze een eind stroomafwaarts een murw geslagen lijk terug. Ik vervolg mijn weg naar het 2e viewpoint, waar het uitzicht zo mogelijk nog indrukwekkender is. Ondanks de waarschuwingsborden voor het gevaar van deze rivier, kan ik me niet van het gedacht ontdoen dat dit ideaal canyoning terrein is. Raar trouwens dat in het mekka van de buitensportactiviteiten, nog nooit canyoning zag vermeld staan! De rotspartijen bieden nochtans veel opportuniteiten, met natuurlijke glijbanen, springholen, klauterpartijen en dergelijke meer.

Opnieuw de auto in en naar Josephine Falls in het Wooroonooran National Park, die eigenlijk vergelijkbaar plezier belooft, al zijn de zwembassins hier wat groter en de overgangen tussen de verschillende zwemholen wat gladder, wat perfecte natuurlijke glijbanen van ze maakt. En wat een prachtige watervallen om van af te rapellen! Jammer maar helaas is dat hier geen optie, ik kan zelfs niet even afkoelen in het water, want handdoeken en zwemgerief liggen nog in de camper. Een bewuste keuze trouwens want ik wist dat ik hier anders veel te lange tijd zou doorbrengen in deze natuurlijke speeltuin. Er is hier wel meer verval dan bij de Babinda Boulders met telkens stroomversnellingen en watervalletjes die echter niet zo steil zijn en dus perfecte waterglijbanen vormen, doe daar nog de lianen die hier van de bomen langs de oevers hangen om aan te slingeren en de pret is verzekerd! Als apotheose is er op het einde van het wandelpad dan de Josephine waterval zelf, die dus wel een stuk steiler en hoger is, maar zoals gezegd, dan weer ideaal om van af te rapellen. Terug naar de camper maar weer en opnieuw de baan op. Het landschap blijft nog grotendeels hetzelfde en ik blijf ook maar van die suikerrietfabrieken tegenkomen.

Mijn volgende stop is Paronella Park, is stop de auto nog maar op de parking en er staat al iemand om me binnen uit te nodigen, nooit een goed teken. Volgens de reisgids is het park en de gelijknamige ruïne een bouwsel van een Spaanse immigrant die als ondernemend persoon wat van alles als jobs had gedaan en uiteindelijk in deze regio terecht kwam als rietkapper. Hoe hij van daaruit een imperium kon uitbouwen en rijkdom kon opbouwen, is me niet echt duidelijk, maar hoe dan ook, de man installeerde een elektriciteitsopwekkend installatie in de Mena Creek Falls, en had daarmee stroom als enige in de omgeving. Naarmate zijn rijkdom groeide, trok hij een kasteelachtig gebouw op, niet als droomwoning voor zijn vrouw, maar puur als economisch gegeven, namelijk als toeristisch trekpleister. Een man die zijn tijd dus ver vooruit was. En in dat opzicht is er niet veel verandert, want na zijn dood en de dood van zijn vrouw werd het hele boeltje verkocht door de (schoon)dochter, ging in vlammen op en werd tenslotte na enkele jaren van verval opgekocht en opnieuw als toeristische attractie opgezet. Voor 45A$ krijg je een rondleiding en mag je daarna zelf het park zelf verkennen met het oude woonhuis als minimuseum, de ruïne van het kasteel, de waterval en het bijhorende meertje, waarvoor je een doosje visvoer meekrijgt, een bamboebos en een broedplaats van schildpadden en misschien zelfs een zeldzame Platypus.

De grote vraag is dan natuurlijk, is dit een zogenaamde toeristenval of niet? Als je alleen de waterval en de ruïne van het kasteel wil zien, vanop afstand, ja zeker. Want dat kan je 100m verder van op de hangbrug gratis en voor niets. Wil je wat rondwandelen in het (privé)park, wat meer verhaaltjes rond de historie en misschien zelfs ovenachten (in de prijs is er een gratis overnachting op de bijbehorende camping inbegrepen), dan valt het nog wel mee. Ik vind het echt wel op het randje, vooral de manier waarop je onmiddellijk naar binnen wordt geloodst, steekt me daar bij tegen (als je even op je gemak rondkijkt, zie je namelijk al snel de andere optie natuurlijk…). Maar goed, het was toch een leuk intermezzo. Ik ga er weer van door en kom zo door Tully, een naam die me bekend in de oren klinkt, want hier gingen we ooit toch wildwater varen? Raften dus. Maar ik was nog nooit hier aan de kust, dus hoe zit dat? Als ik de wegnatlas erbij haal (waarin mijn reisroute van toen aangegeven staat), valt het plaatje in elkaar. De Tully rivier loopt een heel stuk het binnenland in en de gorge bevindt zich 50km van hier en raakt daarbij de inlandroute op weg naar Cairns van indertijd …

Ik rijd nu richting het strand, meer bepaald Tailors Beach, om te overnachten op het Holiday Park aldaar. Geen restaurant echter en dus op aanraden van de eigenaar, 8km terug gereden naar Halifax waar ik een heerlijke Seabasket, met oesters, calamares, krab, scampi’s en beerbattered fish voorgeschoteld krijg (dat laatste is een vis in een soort deeg gebakken zoals de Engelse fish en chips), met frietjes en tartaarsaus. Na nog een ijscrème is het dan weer tijd om terug te keren naar de camping. Ik kijk er de planning voor de volgende dagen op na en begin nog aan het reisverhaal, doch mijn ogen vallen toe, dus maar opgehouden en gaan slapen.

Vrijdag 17 november

Vanmorgen vroeger wakker dan het alarm van het reisklokje, door het oorverdovende gekwetter van de vogels en he zonlicht dat zich niet laat tegenhouden door de gordijnen. Het is nochtans zelfs nog geen 6u00 en dus draai ik me nog een keer om en luister al soezend naar de geluiden van de natuur om me heen. Kwart na zes beginnen de wegenwerkers in gang te schieten (!) en ga ik dus maar douchen. Een gezinnetje steltlopers wandelt over de camping en het mannetje maakt een geluid tussen grommen en sissen in als ik te veel aandacht aan het kuiken besteed. Na nog snel enkele inkopen in de bij de camping horende winkel, het ontbijt en het opruimen van de camper, zet ik weer aan, richting Ingham deze keer. Het is niet het stadje dat me boeit maar Tyto wetlands, het bezoekerscentrum licht voor enkele vijvers met paarse waterlelies in een parkachtige omgeving, mooi. De dames in het bezoekerscentrum schrikken zich rot als ik om informatie vraag over het wetlands park, nochtans zitten ze er daarvoor, maar geven me uiteindelijk een eenvoudig plannetje mee. Ik maak eerst een wandeling over de verhoogde walkway achter het centre en trek dan naar de ingang van het park even verderop. Nog geen seconde later is het al duidelijk dat de muggenmelk hier royaal mag opgebracht worden, want het stikt hier van de agressieve muggen, binnen de kortste keren ben ik al enkele keren gestoken. Wetlands is dan ook de verbloemende beschrijving van moeras natuurlijk.

Ik zie enkele kleinere plassen met rood eendenkroos erop, maar de paden komen op een enkele manier overeen meet wat er op het plannetje staat? Na nog enkele pogingen en een paar opgeschrikte koddige wallabies en een paar kangoeroes is de lol er wel af, zeker met die vervelende muggen die blijven aanvallen als je maar een seconde blijft stilstaan. Ik keer terug naar de camper en bewandel daarmee eigenlijk de weg zoals die op de kaart staat, maar van de wetlands is er niet veel te merken. Een maat voor niets dus, al waren de vijvers achter het bezoekerscentrum wel mooi. Op zoek nu naar de Jourama Falls, die te bereiken zijn via een afslag een kilometer of 10 verderop. De weg wordt heraangelegd en is gedeeltelijk onverhard, ook op het grondgebied van het park is deze onverhard en zijn er bovendien 2 rivercrossings te doen, waar gelukkig maar een paar centimeter water in staat. Een bord aan de parkeerplaats geeft aan dat de wandeling 3km h/t is, waarbij de laatste 600m naar het viewplatvorm allemaal naar omhoog zijn. Na een stukje door het regenwoud, loopt het pad verder door de kreek over een met stenen en beton gevormd pad. Na een tijdje gaat het dan de hoogte in waarbij er een afsplitsing is naar de rockpools. Ik wil graag proberen of ik via deze weg bij de voet van de Jourama waterval geraak. Niet dus blijkt na ettelijke klimpartijen over de chaos van rotsen die hier de rivierbedding insluiten. Maar het levert wel prachtige panoramische beelden op. Tijdens het terugkeren verras ik enkele dames in monokini in één van de rockpools. Die verwachtte geen bezoekers, zeker niet uit de richting van de waterval.

Door mijn zijsprongetje met klauterpret, ligt de viewpoint nog steeds op 450m afstand en zoals reeds beschreven in de LP, allen omhoog! Eens op het uitzichtpunt lijkt de waterval nog op een aanzienlijke afstand te liggen, maar perfect voor een plaatje van het geheel. Opnieuw naar beneden, de kreek door en zo verder door het bos naar de parking. Daar neem ik de tijd voor enkele crakotten met de rest van de blauwe velvet kaas van Cape Tibulation. Tussen hier en Townsville wordt het een stuk drukker. Ook veel Australiërs met de caravan op weg op deze vrijdagnamiddag, Townsville is eigenlijk de eerste grotere stad sinds mijn vertrek uit Darwin. Ik doe allereerst de Esplanade aan, de wandelboulevard langs de oceaankust. Een klein vierkant deeltje van het water voor het strand is afgezet met netten, tegen stingers en krokodillen, enkele meters verder vinden we de Rockpool, waar alle voorzorgen zijn genomen dat er geen kwallen inzitten, doch zeker is men daar nooit van, dus geen garantie ! De heuvel met het Kissing Point Fort er op biedt een mooi uitzicht op de stad en de baai. Terug bij de auto rijd ik de esplanade af tot aan Reef HQ, het enorme aquarium met de grootste levend koraal aquarium ter wereld, (naar hun zeggen dan toch). Eerst echter een rondleiding in het schildpadden hospitaal, waar in het wild levende schildpadden verzorgt worden. Terug in Reef HQ geniet ik inderdaad het meeste van de reuze aquarium met de exotische vissen en koralen. In kleinere aquariums en terrariums huizen er dan nog veel andere creaturen. Ik herken natuurlijk een hele boel van de vissen en koralen van bij het snorkelen, en dat maakt het alleen maar leuker. Eens het aquarium volledig bezocht is en wandel ik nog even naar het ernaast gelegen Museum of Tropical Queensland.
Met nog maar een half uurtje voor sluitingstijd, wordt dat wat krap en dus neem ik alleen een kijkje in de museum shop.

Nog een 90km te rijden naar de overnachtingsplaats van vanavond, op de Bruce Highway wordt er echter gewerkt en dus duurt het allemaal wat langer vooraleer we Ayr bereiken. Al bij al komen we nog op een heel schappelijk uur aan rond 18u00 op camping Burdekin Cascades . In de onmiddellijke omgeving liggen 3 fastfood restaurants en een hotel met restaurant. Ik kies voor die laatste en bestel me een spaghetti Bolognèse. Omdat er op de camping geen wifi is, heb ik de tablet mee om mijn e-mails te kunnen checken. Voor de deur wordt de straat hernieuwd, en dit tijdens de ganse nacht, hopelijk valt dit mee kwestie van lawaai op de camping vannacht.

Zaterdag 18 november

Gelukkig viel het erg mee met het nachtlawaai van de wegwerkzaamheden en na een goede nachtrust ben ik vanmorgen vroeg wakker. Veel staat er niet op de planning vandaag, de enige voorziene stop is in Bowen, halverwege de route van vandaag. Onderweg wel redelijk wat wegwerkzaamheden die voor nogal wat oponthoud zorgen, en landschappelijk zijn het meer en meer de suikerrietplantages die overheersen. Verder niets specials op te merken of het moeten de achtergelaten auto’s zijn die, al dan niet geaccidenteerd, onbeheerd en vaak met deuren en koffers wijd open in de bermen staan. Na 120km bereik ik dan het stadje Bowen met zijn mooie strand en promenade met palmbomen. Volgens mijn reisgids zijn er in dit stadje veel murals te bewonderen en een infostand op de promenade kan me daar normaal een plannetje voor bezorgen, dus daar ga ik allereerst naar op zoek. Al snel heb ik die gevonden en ik merk daar onmiddellijk dat het stadje nog om een andere reden bekendheid geniet, In 2007 werd hier de film Australia opgenomen met Nicole Kidman en Hugh Jackman waarbij het stadje de stad Darwin moest voorstellen tijdens WW II, daarvoor werden verschillende bestaande huizen voorzien van valse façades en er werden er volledige replica’s gebouwd van andere kenmerkende gebouwen, die tijdens het verloop van de film vernietigd werden in zogenaamde bombardementen en branden. Op de oude watercollector op de heuvel prijkt dan ook trots de naam Bowenwood in grote witte letters naar analogie van de filmstad in de USA.

Ik wordt vriendelijk ontvangen door de dames van de infobooth die me met veel plezier de bezienswaardigheden van het stadje uitgebreid voorstellen. Als ze me vragen hoe lang ik blijf en ik hen vertel dat ik straks nog op tijd naar Airlie Beach wil om te kijken voor een jetski safari, blijken zij ook daarover alle info te hebben en kunnen ze dat bovendien ook voor me reserveren, ik neem even de tijd om de verschillende opties door te nemen terwijl ik de beroemde mango ijssorbet soldaat maak. Even later checken ze dan voor mij of de 3u30 durende jetski tocht van deze namiddag nog plaatsen vrij heeft, wat niet het geval is. Deze van morgen vroeg heeft dat echter nog wel en dus boek ik die. Morgen ga ik dus de Whitsunday eilanden verkennen met de jetski! Ook de camping leggen ze alvast voor me vast want het is schoolies week en dus erg druk bij alle type logementen. Schoolies zijn de laatstejaarsstudenten wiens laatste schooldag erop zit. Zoals bij ons de laatste 100 dagen, maar hier wordt dat dus echt pas na de laatste schooldag gevierd.

Eens dat allemaal geregeld is wandel ik de pier op voor een beter zicht op de kustlijn. Maar wanneer ik het gedeelte bereik waar de betonnen pier over gaat in een houten, merk ik rook op. Bij nader onderzoek blijkt een van de balken in brand te staan en deze wordt nog aangejakkerd door een sterke wind. Ik haast me samen met 2 Australische jonge gasten terug naar de infobooth om de brand te melden. Even later is de brandweer en een ambulance aanwezig. De pier laat ik maar links liggen, ik heb geen zin om vast te komen zitten op een houten pier, met de enige uitweg versperd door een vuurzee. Zover laat de brandweer het echter niet komen. Ik ga met mijn plannetje op zoek naar enkele van de muurschilderingen en vind de eerste 2 alvast aan de muur van de Winkelgallerij waar ik enkele inkopen doe. Voor de volgende moet ik enkele honderden meters verderop zijn en voor nog meer, enkele kilometers verderop. Allen hebben ze te maken met de geschiedenis van het stadje.

Ik stop nog voor een belegd broodje bij de Subway en rijd dan tot aan de lagoon in het stadje voor een picknick lunch in het gezelschap van enkele eenden. Op de lagoon zitten ook nog pelikanen, reigers, aalscholvers en heel wat steltlopers. Heel wat anders dan het miezerige wetland van gisteren. De eenden volgen mij alsof ik hun moederkloek ben. Na lunch rijd ik dan naar de Horseshoe bay met zijn prachtige stranden. De beide baaien vormen een hoefijzer op het schiereiland, vandaar de naam dus.
Het wordt tijd om naar Airlie Beach te vertrekken zo'n 90km verderop, om 16u sta ik dan in de haven en bevestig ik mijn boeking voor de trip van morgen 9u00. Er liggen hier een paar erg mooie jachten voor anker, met als topper een enorm superjacht dat blijkbaar van de eigenaars van Google is en niet eens hun grootste boot. Camping Flame tree Tourist Village ligt nog enkele kilometers verderop. Rond 18u00 is er een happy hour rond het kampvuur met enkele hapjes en vele verhalen tussen Australiërs, slovaken, New Zeelanders, Duitsers, Engelsen en ik als enige Belg. Iedereen brengt zijn eigen drank mee en de campingeigenaar zorgt voor warme hapjes, het wordt een gezellige avond, maar het is wel half tien tegen dat ik naar de camper terugkeer en middernacht tegen dat ik ga slapen.

Zondag 19 november

Vanmorgen wakker geworden van de buikkrampen, maar die zijn gelukkig al snel weer over. Vandaag geen sprake van blijven liggen want om 8u40 moet ik op Abell Point Marina staan voor de jetski safari. Ik merk nu pas dat onze camping naast een vliegveldje ligt vanwaar de vliegtuigen en helikopters rondvluchten maken over de Whitsunday Islands en het Great Barrier Reef, dat ook hier nog voor de kust ligt (de eilanden liggen ook nog binnen het rif). Vooral de helikopters die warmdraaien jagen een wolk van kerosine over de camping, echt onaangenaam. Gelukkig duurt da niet lang. Ik sta mooi om 8u40 bij het kantoor van Whitsunday Jetski Tours, na wat problemen om het parkingticket te kopen voor de bewaakte parking van de haven, ik heb me niet moeten haasten en daar zou ook geen reden voor geweest zijn, want het busje dat de andere deelnemers ophaalt is nog niet aangekomen. Ik heb er voor gekozen om me niet te laten ophalen, want op de campings moet je gewoonlijk om 10u00 uitchecken en dat had nu misschien wel een probleem geweest met deze drukke week. Bovendien heb ik dan ineens mijn mobiele kleedkamer bij de hand eens we terug zijn.
Rond 9u00 komen de andere deelnemers dan aan en volgt er een veiligheidsbriefing en de afhandeling van de administratie, wat er vooral uit bestaat een waiver in te vullen en te ondertekenen, dat als je gewond raakt of verongelukt, zij niet verantwoordelijk zijn. Dan nog wat uitleg voor de nieuwelingen van hoe de jetski werkt en wat te doen in welk geval, en een algemene regel: hoe sneller je gaat, hoe stabieler en hoe beter manoeuvreerbaar de jetski is, dus de algemene tendens is dan ook, hoe sneller, hoe beter. Met uitzondering van de haven dan, want daar moet je op relantie uit, kwestie van geen krassen te maken op die miljoenen kostende jachten die er aangemeerd liggen. Het Google jacht is al bijna meer een cruiseboot en zou in occasie 80 miljoen A$ gekost hebben. En je wil niet weten wat de brandstofrekening kos om één keer vol te gooien! Maar we zijn hier niet voor een rondleiding langs de jachten, maar om te jetskiën. Om te weten wat voor vlees ze in de kuip hebben gaan we eens buiten de haven een rondje van de baai doen, zodat onze gidsen (1 per 5 deelnemende jetski’s) ons in de juiste volgorde kunnen zetten (de snelste vooraan, zo worden die niet opgehouden door eventuele tragere deelnemers, en onderweg af en toe een wissel).

We worden in 2 groepen van 5 gedeeld, met in elke groep 1 jetski met 2 personen erop. Deze vaart sowieso laatst, gezien ze minder manoeuvreerbaar en minder snel zijn. Onze gids is een jong meisje met de naam Gaby en eens de test uitgevoerd en de volgorde vastgelegd, gaan we er als een speer van door. Het gas gaat helemaal open en dat blijft zo ongeveer de hele tour zo, met uitzondering van één gevaarlijke passage, bij één landing voor een snack en in de buurt van enkele zeilboten. Ik slaag er in van één keer op volle snelheid van de jetski gekatapulteerd te worden, zonder erg, door de combinatie van een scherpe bocht een beetje krap te nemen en een zijwaartse golf. Dit is geen sport voor mensen met een zwakke rug of zwangere vrouwen, want je krijgt serieuze kloppen wanneer de jetski over de golven springt, of vooral wanneer je weer landt. We steken eerst een ruw, aan wind en golven opengesteld gedeelte over dat ons naar de Molle eilanden moet brengen.

En dan varen we langs de kust van North Molle naar de death passage (een term gebruikt door de historische zeilers die met hun slecht manoeuvreerbare zeilboten nogal een keer schipbreuk leden op deze plaats tussen North Molle en Mid Molle Islands Wij varen hier dus ook wel wat kalmer door, wegens de nauwe doorgang en de ondiepte. Sommige van deze Whitsunday eilanden zijn onbewoond, andere dan weer niet en sommige hebben alleen een resort. De eilanden en de Oostkust van Australië tussen Townsville en hier, werd enkele jaren geleden door een categorie 4 typhoon. 2 resorts die vol werden getroffen door de orkaan, worden nog steeds volop heropgebouwd. Na een rondje langs de windzijde van de Molle eilanden, gaan we weer door de passage, volgen op respectabele afstand de kust van South Molle en gaan vervolgens een rondje maken rond Daydream Island met zijn vervallen resort. Hier landen we even voor een snack en een duik in het water als je dat wil. Dit is tevens het halfway point en van hieruit gaat het terug naar Airlie Beach. De gashendels gaan weer vol open en zigzaggend scheuren we door het water. Ik slaag er deze keer wel in van op de jetski te blijven, al is het soms vastklampen! Mooi rond 12u30 leggen we opnieuw aan bij de kade en zit deze wilde bokkensprongentour er weeral op. Het was weer een erg prettige belevenis en zijn dure prijs wel waard (280A$ als solo, 240A$ als dubbel)

Eens omgekleed in de camper bestel ik in het Bohemian café nog wat te eten en drinken bij de Bohobabes (staat zo op hun eigen blackboard, niet mijn uitspraak!), tegen 14u00 ga ik dan op weg met de camper. Veel bezienswaardigheden staan er niet op de planning, deze route loopt door een vlak landschap met suikerrietvelden (nog altijd!) , maar overal aan de horizon, zie je nog wel de silhouetten van de bergen. Pas in Mackay met zijn vele gebouwen in Art Deco stijl, zijn botanische tuin (met Orchideepaviljoen dat helaas gesloten is), en de Rotary lookout die niet veel voorstelt, is er een rustpauze na +/- 160km. Dan gaat het weer verder naar het Cape Palmerstone National Park naar de gelijknamige camping, op de onverharde toegangsweg wemelt het van de grijze kangoeroes, ik tel er minsten een stuk of twintig! Ik ga nog snel een kijkje nemen op het strand, voordat de schemering toeslaat. Al sinds Mackay vielen er regelmatig korte regenbuien, maar momenteel blijft het droog, maar zwaar bewolkt. Nog een blikje bonen in tomatensaus met worstjes en een potje Mi Goreng opwarmen en het avondeten is ook achter de rug. Nog even afwassen en zelf een snelle douche om al het zout achtergelaten door het jetskiën, weg te spoelen en dan kan ik eindelijk een keer vroeg aan het reisverhaal beginnen.

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Landy Bean
LROCB-Member
Berichten: 1106
Lid geworden op: zo 12 okt, 2003 21:20
lrocb_lidnr: 349
Woonplaats: Brugge

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Landy Bean » ma 20 nov, 2017 18:11

Ik blijf mij de vraag stellen wie die allemaal leest, Australië heeft hele goeie wifi, ben er al tweemaal geweest dus kan het weten.
1 foto zegt meer dan 1000 woorden, kijk maar eens naar het reis verslag van IJsland...

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » di 21 nov, 2017 00:59

Kijk Landy Bean,

De topic is een 100-tal keer bekeken, maar daarom misschien inderdaad nog niet gelezen. Ik steek daar veel tijd in tijdens mijn reis, teveel eigenlijk. Niemand verplicht je om dat te lezen, maar als er inderdaad geen interesse is, dan zet ik het gewoon niet meer op dit forum, bespaart mij de moeite en de tijd.

Zal deze reis nog vervolledigen, maar als er dan geen interesse voor is, stop ik er hier mee. Geïnteresseerden kunnen mij dat dan nog altijd via pm laten weten, dan geef ik ze wel de andere forum waar ze dit kunnen volgen of zelfs via e-mail.

Het verslag van de IJslandreis van Joris is inderdaad prachtig, maar wel van huis uit gemaakt, waar tijd en internetconnectie juist even gemakkelijker zijn, evenals het overzetten van foto's van je camera naar de pc, wat nu met de tablet helemaal een miserie is.

Als ik dit achteraf moet doen en met foto's, kan ik ze beter ineens op mijn eigen site zetten, wat trouwens echt wel eens moet gebeuren, want daar geraakt ik maar niet verder mee (teveel op reis vrees ik :-) )

Ps Dit is mijn 4e reis hier in Australië, en kan je zeggen de wifi situatie is hier bedroevend, maar een groot deel van de reis vond tot nu toe plaats in de meer afgelegen gebieden, sinds enkele dagen nu, hier aan de Oostkust verbetert de situatie wel.
Ps 2 een foto zegt meer dan 1000 woorden, maar blijkbaar ben je zelf ook niet geneigd om foto's te posten of zelfs maar reisverslagen...

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Penguin
LROCB-Member
Berichten: 2897
Lid geworden op: vr 25 jul, 2003 13:32
lrocb_lidnr: 1396
Woonplaats: Hoele
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Penguin » di 21 nov, 2017 08:45

Je niet laten opjutten Yohani ;) Geniet van de reis en het schrijven.
28/02 - Loss of a good friend...
​__m__( ͡° ͜ʖ ͡°)__m__
Afbeelding
In a time of chimpanzees, I was a penguin.

Landy Bean
LROCB-Member
Berichten: 1106
Lid geworden op: zo 12 okt, 2003 21:20
lrocb_lidnr: 349
Woonplaats: Brugge

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Landy Bean » di 21 nov, 2017 20:13

Yohani, hoeveel tijd je erin steek is je eigen keuze, ik lees het in ieder geval niet, sorry voor mijn eerlijkheid maar zo ben ik éénmaal.
De reden dat ik geen foto's meer post op forums komt na heel het gedoe op XRover, daar stonden waarschijnlijk meer dan 500 foto's en verslagen van mij, van reizen tot sleutelen aan de boskar en mijn D1.
Als je nu foto's wil zien van mij van onder ander onze reizen of mijn natuur fotografie moet je mij maar volgen op Facebook, ik accepteer je met veel plezier, ik zit er ook onder Landy Bean.

Als ik zie welke foto's jij hier al gepost heb van je reizen krijg ik er kippenvel van en nu je down under zit nog veel meer!
Onze droom is er om er 1 jaar rond te reizen van als onze dochter van school af is. Boskar reinigen, container in en overzetten naar Fremantle.

Geniet vooral van je reis

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » wo 22 nov, 2017 13:47

Maandag 20 november

Geen haast vandaag want alle bezienswaardigheden liggen op het einde van de dag. Na het douchen wordt ik begroet door Shadow, de husky van de buren, die al een flinke ochtendwandeling achter de rug heeft. Zijn baasje is met hem om 20 na 5 al naar het strand getrokken, kwestie van de warmte voor te zijn. Maar daar had hij niet moeten voor vrezen want het is redelijk zwaar bewolkt met af en toe wat gemiezer, en dus blijft de temperatuur rond een comfortabele 23°C hangen momenteel. Net zoals gisterenavond zijn ook vanmorgen bij het vertrek de kangoeroes paraat op het grasveld voor de camping. Het landschap begint nu eindelijk wat te veranderen, de suikerrietvelden maken plaats voor bossen en weiden en combinaties van beiden. Ook de bossen zijn zelf verandert, het zijn niet meer de wet tropical rainforests maar de dry tropical rainforests afgewisseld met eucalyptusbossen. De verkeersborden langs de weg waarschuwen niet langer voor kangoeroes, al wijzen de sporadische kadavers er wel op dat die er nog zijn, maar voor koala’s. En ik weet uit ervaring van een vorige reis naar Tasmanië en de Great Ocean Road nabij Melbourne, dat die koddige beertjes al eens midden op de weg durven te zitten. Tot dusver echter laten ze zich niet zien.

De route die ik nu rijd, staat bekend als een gevaarlijke route om weg te doezelen, wegens de lange eentonige, rechte stukken zonder afleiding. Nog meer dan elders waarschuwen borden dan ook regelmatig pauzes te nemen. En men heeft er in elk geval voor gezorgd dat de stopplaatsen erg aantrekkelijk zijn, mooi aangelegd, een beetje van de weg af en heel erg netjes met bomen, struiken en bloemen en het nodige sanitair (dat hier overal trouwens heel erg proper is). Ook langs de wegen zie je weinig sluikstorten, afgezien dan van de verlaten auto’s, sommige volledig uitgebrand, steeds zonder de nummerplaten erop en meestal serieus gevandaliseerd met graffiti, stukgeslagen ruiten, ingedeukte daken en zo verder. Niemand geeft me echt een duidelijk antwoord hoe dat nu met die auto’s zit, zijn ze gestolen, gewoon achtergelaten door backpackers na pech, of gedumpt door de eigenaar omdat ze versleten waren of ze niet meer konden betalen? Het is een fenomeen dat ik al overal in Australië ben tegengekomen, en dan spreek ik niet van één auto per dag, die je zo tegenkomt. Het valt wel op dat het steeds dezelfde type wagens lijken te zijn, stationwagens en personenwagens met wat ouderdom en weinig charisma. Het type wagen van het heeft wielen en het bolt. Ik merk ook nog aan iets anders dat ik meer in de gematigde zone kom in plaats van in de tropische. Hier is het lente en daarmee ook het pollenseizoen en mijn hooikoorts speelt daardoor op.

In Cave ga ik, heel toepasselijk, in het Mount Etna Caves National Parken bezoekje brengen aan de Capricorn Caves. Hier in de buurt ligt de Steenbokskeerkring, vandaar dat dit in vele benamingen terugkomt. Het is meteen de eerste bezienswaardigheid van vandaag na 240km rijden. En weer valt het op dat, ondanks dat ik daar alleen ben, de moeite wordt gedaan van mij toch met gids de rondleiding te geven. Deze grot is speciaal in deze dat het geen ondergrondse grot is, een groot in een kalksteen berg, waarbij je dus niet in de aarde afdaalt. Natuurlijk kan je argumenteren dat die berg toch ook de grond is, alleen ligt die wat hoger, en dan zou je ook helemaal gelijk hebben. Bovendien is het ook een zogenaamde droge grot, doch dat betekent niet dat er geen water in komt (want water zorgt voor het ontstaan van een grot), alleen dat de vochtigheid niet constant aanwezig is, doordat er zoveel gaten en spleten in deze kalkstenen grotten zijn, blaast er constant de wind door die alles opdroogt. Nadeel daarvan is dat er maar weinig stalactieten en stalagmieten te vinden zijn. Maar de grot maakt dat goed door zijn spectaculaire spelonken en enkele eigenaardige steenformaties zoals vloeiende steen en steenkoraal die ook ontstaan door waterinsijpeling.

Bovendien komt de grot bij hevige stortbuien en cyclonen ook regelmatig gedeeltelijk onder water te staan, doch doordat ze niet ondergronds is, draineert dat water er ook snel weer uit. Net zoals andere grotten is deze ook in een continue staat van evolutie, door insijpelend water, maar ook en vooral door boomwortels die zich door het kalksteen een weg zoeken door spleten en gaten, tot in de grot en de kalkrotsen als het ware splijten door dikker en dikker te groeien. Tot op een cruciaal moment die breuklijn het begeeft en een deel van de rotsen instort. De grot wordt dan ook regelmatig gemonitord door specialisten op instortingsgevaar. Voor het binnen gaan van de grot kreeg ik ook enkel glazen potten te zien met enkele wezens die er zoal in de grot huizen, waarvan er eentje de troetelnaam Australische Tarantula meekreeg. Naast de fascinerende rotsformaties en de nauwe doorgangen heeft de grot ook nog een spectaculaire zaal, de kathedraal genoemd, waar heel regelmatig huwelijken worden voltrokken. De natuurlijke akoestiek in die zaal is prachtig en enkele lichteffecten zorgen voor een extra dimensie als er muziek wordt opgezet.

Wat niet zo romantisch is, maar door de meeste niet geweten, is dat de bodem van de grot niet de echte rotsbodem is, maar een dikke laag (op zijn diepste punt wel 20m dik) guano van de vleermuizen die hier in de zomer de dag doorbrengen. Nu is deze guano een vaste substantie door de duizenden mensen die hier jaarlijks door de grot wandelen, de eerste grot onderzoekers wandelden hier echter tot aan hun knieëen en zelf soms tot aan hun borst in een smurrie van stinkende guano, waarover dan spinnen, slangen en ander ongedierte rondkropen, met als enige verlichting een kaars . Een natuurlijke opening in het dak van de grot, zorgt ervoor dat rond de zonnewende de zon recht in het gat schijnt en er als het waren een zuil van licht ontstaat, een verschijnsel dat elk jaar honderden mensen op de been brengt voor een bezoekje aan de grot, met als hoogtepunt 22 december.

Na een uurtje speleologie is het weer tijd om het daglicht op te zoeken en verder te rijden naar Rockhampton, 25km verderop. Bij het binnen rijden van de stad merk ik al direct het Dreamtime Cultural Centre op, maar een bezoekje aan de shop leert me dat de laatste (2u durende) toer er al op zit voor vandaag, het kan maar een idee zijn, maar het leek me toch sowieso maar een vrij plat commercieel gedoe te zijn, (maar daar kan ik dus mis in zijn). Op dan naar de botanische tuin en zoo van de stad, met een korte stop bij een pandjesshop. Ervaringen uit het verleden hebben me namelijk geleerd dat er in pandjes winkels en oude stoffige rommel- en antiekwinkels soms erg mooie spullen te vinden zijn voor mijn verzamelingen. De zoo in de Botanische tuin is erg klein en met uitzondering van enkele apen en mackaws vooral voorzien van Australische dieren zoals de kangoeroes, een emoe en (eindelijk) een kasuaris. Enkele slangen en hagedissen mogen natuurlijk ook niet ontbreken net zoals de vogels in de doorwandelbare volière. De helft van de dierentuin is onder renovatie, maar bedrogen kan je daardoor niet zijn, gezien het uiteindelijk ook gratis is.

Ik twijfel nog of ik mij naar de Camping Southside Holiday Village even verderop zal begeven, of nog een 30 tal kilometers verder rijd naar de kust en daar een camping opzoek. Een snelle controle in de bij de camper geleverde Big 4 en Top Caravan Parks geleverde boekjes, leert me dat beide camping aan de kust geen Wifi hebben en dus wordt het de camping hier in Rochkhampton. ’s Avonds is het zo fris dat ik om naar het restaurant 150m verderop te gaan, een pulletje bij aandoe. Als diner geniet ik van de gebakken Camembert gevolgd door varkensribbetjes in BBQ saus en appeltaart met ijs en vanillesaus. Stond ik gisteren naast een vliegveld, nu lijk ik naast een rangeerterrein van een spoorweg te staan, ik mis de rust van de camping van vannacht in het Palmerston National Park nu al!

Dinsdag 21 November

Gelukkig reden de (goederen)treinen vannacht niet en vanmorgen pas nadat het tijd was om op te staan. De rit van vanmorgen brengt me 113km verder naar Gladstone en loopt vooral door bossen, op enkele stukken zijn er wegenwerken, maar die zorgen gelukkig voor weinig oponthoud, zodat ik even voor de middag bij de Tondoon Botanische tuin net buiten Gladstone aankom. Deze is erg groot en bevat zelfs een meer, verschillende types regenwoud en eucalyptus bossen. Er vliegen hier ook heel wat vlinders rond en het is me al opgevallen dat die in Australië niet zoo bontgekleurd zijn als bvb in Zuid-Amerika. Vooral bruintinten en zwart/witte vlinders en af een toe een witte of gele. Ik spot ook 2 Kookaburra’s die erg lijken op reuze ijsvogels en een boskalkoen die verstoppertje met me speelt als ik er een foto van wil trekken. Al bij al wandel ik een uurtje door de tuin en ga dan naar het bezoekerscentrum annex café waar ik lunch met een lekkere Griekse salade. Ze hebben hier ook de gekste combinaties van fruitsappen, ik kies voor appel met mandarijn, ananas en kokoswater, en het is nog lekker ook!

Weer verder dan maar nog een keertje naar de kust, want ondanks het feit dat dit de “kustweg” is, loopt die een heel eind het binnenland is, zodat er van de zee en paradijselijke stranden niets te zien is. Er zijn ook geen wegen dichter bij de kust en slechts heel af en toe een stadje aan de kust waar je naartoe kan. Twee daarvan zijn Agnes Water en 1770 (Seventeen Seventy) 140km verderop. Die laatste is gewoon genoemd naar het jaar dat James Cook hier voet aan land zette in Queensland. Normaal was dit mijn geplande overnachtingplaats maar het is nog maar 15u30 en zwemmen is er hier ook al niet bij, gezien de camping bij een vaargeul voor het haventje ligt. Ik besluit na enkele foto’s en een bezoekje aan het James Cook monument dan maar nog een stuk verder te rijden en dat wordt uiteindelijk Bundaberg. Op enkele honderden meters van de camping vindt er een wolkbreuk plaats, die natuurlijk blijft aanhouden wanneer ik uit de camper moet om op de camping naar de receptie te gaan om me in te boeken. 5 minuutjes later is het onweer weer voorbij. Ik besluit vanavond niet uit eten te gaan want het wordt stilaan tijd dat ik de voorraadkast wat leeg maak, zodat ik op het einde van de reis niet met volle kasten zit en teveel moet weggooien (of eerder weggeven eigenlijk).

De temperatuur die vandaag zo tussen de 20°C en 27°C schommelde is na de regenbui ook weer een beetje gezakt, zodat de verleiding om gebruik van het zwembad te maken al snel voorbij is. Wat wel opvalt is dat na de regenbui het lijkt of we midden in een volière zitten, de vogels kwetteren en sjilpen dat het een lieve lust is. Eens de schemering intreed komen die echter ook tot rust. Vanavond een keer rustig wat lezen, veel te schrijven valt er momenteel toch niet, en een keer wat vroeger gaan slapen want elke avond na 23u gaan slapen en om 6u00 weer op, dat wreekt zich op een gegeven moment.

Woensdag 22 november

De regenbui van gisterenavond was blijkbaar maar een voorspel van wat nog moest komen, want vannacht en ook vanmorgen is het grijs met af en toe buien. Ook de temperatuur is gevoelig lager en hoewel die nog wel rond de 20°C zal schommelen, voelt het met de sterke wind toch maar frisjes aan. Het is dan ook de eerste keer dit verlof dat de afritsbare pijpen niet van de broek worden afgeritst en het regenjasje blijft bij de hand. Ik rijd naar het centrum van Bundaberg en wandel daar een stukje door de hoofdstraat waar enkele mooie gevels te bewonderen zijn. Vervolgens ga ik op bezoek in de Bundaberg Rum distilleerderij. De bekendste rum van Australië, maar niet zo gekend in Europa. Slechts 6% van de productie is bedoeld voor het buitenland en 4% daarvan is bedoeld voor Nieuw Zeeland, zo blijft er 2% over voor de rest van de wereld. Maar ter gelegenheid van hun 125 jaar bestaan wordt eraan gewerkt om de naamsbekendheid en het product ook meer in Europa bekendheid te geven. Dat gebeurt met een rum van 12j oud (een blend van verschillende rums van verschillende ouderdom, waarvan de jongste 12j oud is) die maar liefst 180A$ per fles kost. Lekker is die wel mag ik ontdekken bij een proeverij na een wandeling door het museum. De rum wordt gemaakt van rietsuiker, die ter plaatse in hun eigen rietsuiker molen geplet en het sap eruit geperst wordt, waarna dat sap ingedikt wordt door rond te slingeren, en met water en gist te mengen voor het distilleren van de rum. Net als bij whisky moet de rum ook rijpen in houten sherry of bourbon vaten om zijn specifieke kleur en smaak te krijgen. En eveneens, net als bij de Schotse drank, wordt de drank steeds gemengd met oudere batches om een consistente smaak en kleur te houden. En wordt er proefondervindelijk getest of die aan de eisen voldoet.

Na dit alcoholische intermezzo gaat het dan verder naar het zuiden. Eens onderweg wordt de regen harder tot het een echte hoosbui wordt, waarbij de ruitenwissers amper kunnen volgen op hoogste snelheid. Maar ook dat gaat weer voorbij en tegen dat ik in Maryborough aankom regent het lichtjes maar gestaag. Ik trotseer er de regen voor enkele foto’s van historische, koloniale gebouwen. De stad heeft een bekendheid in haar rangen, namelijk de schrijfster van Mary Poppins, Mrs. Pamela Lyndon Travers. Meerdere gebouwen en een standbeeld van Mary Poppins verwijzen dan ook naar haar, zoals een bankgebouw waar de schrijfster haar geboortehuis was, en zou het park merkwaardig gelijken op het park uit haar verhalen, wat natuurlijk niet zo erg verwonderlijk is. Dat park grenst aan de rivier, en op de hoge oever staat een kanon dat elke donderdag, de dag van de Maryborough City Heritage Markets, stipt om 13u afgevuurd wordt. De Heritage wandeling op zijn beurt omvat een 13-tal historische huizen die je (van buiten) kan bezichtigen en die trouwens gewoon bewoond of als commercieel pand in gebruik zijn.

Doordat ik gisteren al een stuk verder zat dan in de planning voorzien was, is dat nu ook het geval en dus wordt Maryborough niet mijn eindpunt van vandaag, maar rijd ik verder, terug naar de kust, meer bepaald naar Noosa Heads. Mijn GPS is even het noorden kwijt als ik op een gloednieuwe snelweg terechtkom (de M1), maar dat lost zich vanzelf op als ik weer aansluit op een deel van die weg die blijkbaar al eerder klaar gekomen was, en wel op de kaarten van de Tomtom bestond. In het Tewantin forest reserve neem ik een afslag die me dieper in het natuurpark brengt en de gelegenheid geeft om de benen een keer te strekken. Wanneer ik aan de tegen de helling oplopende wandeling naar de uitzichtpunten begin, komt er juist een klein meisje met haar papa, op blote voeten terug naar beneden. Ze komt naar mij en zegt samenzwerig, naar mijn wandelschoenen wijzend “die zou ik maar uit doen want het is glad daarboven”. Voor ik maar kan vragen of dat niet koud is zo op haar blote voeten, huppelt ze weer verder met haar vader, blij dat ze me zo’n goede raad heeft kunnen geven. Ik houd mijn wandelschoenen toch maar aan op de inderdaad soms wat gladde stenen en wordt beloond met enkele mooie panorama’s over de staatsbossen waar ik daareven doorheen ben gereden en de kust die helaas niet baadt in het zonlicht maar sluimert onder een grijze hemel.

Noosa Head en de bijbehorende wandeling, houd ik maar tot morgen en ik zoek de Big 4 Ingenia Holidays camping op in Tewantin. Als diner opteer ik voor de fish en chips shop voor de camping, die me een eenvoudige maar lekkere maaltijd voorschotelen. Vanavond leg ik maar ineens het dekbed klaar, dan moet ik die er vannacht niet meer bijnemen, zoals vorige nacht toch wel nodig bleek. In dit deel van Australië is de zomer duidelijk nog niet aangebroken, en volgens de dame aan de receptie zou dat ook de volgende dagen niet het geval zijn.

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » wo 22 nov, 2017 14:48

Een reeks foto's genomen met mijn Sony actiecam (die heeft een microsd-kaart en die kan ik in mijn tablet steken en zo de foto's opladen:

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Penguin
LROCB-Member
Berichten: 2897
Lid geworden op: vr 25 jul, 2003 13:32
lrocb_lidnr: 1396
Woonplaats: Hoele
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Penguin » wo 22 nov, 2017 18:25

Ja lap, ik had al geen zin meer om te werken, nu al helemaal ni meer. ;)
28/02 - Loss of a good friend...
​__m__( ͡° ͜ʖ ͡°)__m__
Afbeelding
In a time of chimpanzees, I was a penguin.

Landy Bean
LROCB-Member
Berichten: 1106
Lid geworden op: zo 12 okt, 2003 21:20
lrocb_lidnr: 349
Woonplaats: Brugge

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Landy Bean » wo 22 nov, 2017 20:33

Bedankt voor de moeite om de foto’s te posten.

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » zo 26 nov, 2017 12:14

Donderdag 23 november

Ik kan met vreugde melden dat het weerbericht het mis had! Vanmorgen gewekt met een stralend zonnetje. Na de ochtendrituelen gaat het richting Noosa Heads waar ik wil gaan wandelen in het gelijknamige Nationale Park. Het stadje ligt op een schiereiland met diverse inhammen en meren en heeft zodoende heel veel oevers die ruimte biedt aan de talrijke vakantiewoningen, waarvan sommige zelfs met aanlegplaats voor de boot. De kanalen gevormd door de inhammen van de zee en de meren, bieden ook de ideale plaats en omstandigheden om te paddelboarden, rechtstaande op een brede surfplank je met een pedel voortbewegen dus, waarvoor je natuurlijk liefst een zo vlak mogelijk wateroppervlak hebt. Het is hier erg druk voor een doordeweekse dag in het laagseizoen. De parkingplaats staat goed vol, maar ik vind gelukkig nog wel een plaatsje. Dan maar eerst een kaartje met de wandelingen afhalen in het info kantoor en ik krijg er meteen nog wat mondelinge informatie bij.

Ik kies voor de Coastal Track, die zoals de naam het al zegt, de kust van het schiereiland volgt. Het pad loopt om te beginnen lichtjes omhoog en biedt uitzicht over het belangrijkste strand van Noosa, een baai waar zich al enkele surfers hebben verzameld en een deel van de kust. De vele bomen zorgen voor een aangename schaduw, een verademing als je uit de stekende zon komt. Zowel het bos als de stranden zijn vrij afwisselend, bij d stranden wisselt het tussen zandstranden, keienstranden en rotsstranden, waarbij bij de laatste nog de verschillende soorten gesteente meespelen. Zo is er bijvoorbeeld ook een granieten strand? Wat betreft de bossen wisselen droog regenwoud en Eucalyptus bossen elkaar af. Tot aan Dolphine point is het pad geëgaliseerd en gebetonneerd en dus toegankelijk voor rolstoel patiënten en ouders met kinderbuggys. Ik wandel op mijn gemak verder met af en toe een fotostop. De uiterste punt van het schiereiland is veel wijdser en er staan nog amper bomen, hier zijn de kliffen echt wel indrukwekkend en ondertussen ook een stuk hoger. Ze hebben dan ook de toepasselijke naam “Hells Gate” gekregen omdat het erbij een onstuimige zee nogal wild aan toe gaat. Ik wandel nog een beetje verder tot aan het begin van Alexander Beach en steek dan het schiereiland opnieuw over naar de Coastal Track, richtng parking deze keer. De 7km aan wandelingen heeft me de ganse voormiddag gekost, als lunch koop ik me 2 grote chocoladekoeken. die ik op eet tijdens he rijden naar Beerwah.

In Beerwah wacht me de wereldbekende Australia Zoo van wijlen Steve Irwin. Deze beroemde krokodillenvanger en natuurbeschermer toutcourt, bouwde hier zijn levensdroom, maar kon er zelf niet lang van genieten nadat hij verongelukte door een steek van een stingray in de hartstreek. Het was ironisch dat de man die krokodillen ving door boven op hen te duiken in de rivier en zich dan met armen en benen rond het monster vast te klemmen, omkwam door een vrij zachtaardige stingray. Zijn vrouw, dochter en zoons zetten zijn levensdroom voort en de zoo wordt door velen de beste van Australië genoemd. Het moet wel confronterend zijn om als weduwe en kinderen van de man dagelijks niet alleen met zijn beeltenis op foto’s en film, maar ook met zijn typische uitspraken te maken te krijgen. Diegene die de man ooit op TV zag zal zich zijn typische “cryckie” uitspraak nog wel herinneren als uiting van verbazing, verwondering, of verontwaardiging. Ook de bordjes met verklarende teksten bij de dieren zijn veelal opgesteld in zijn kenmerkende taalgebruik.

De dierenverblijven zijn heel erg ruim, netjes en verzorgt en de dieren zelf zien er gezond en levendig uit. Het grootste deel van de dierentuin is gewijd aan de Australische fauna en ik zie dan ook veel bekende dieren opduiken zoals allerhande kangoeroes, tot zelfs de grote rode kangoeroe, walibi’s, wombats, Tasmaanse Duivels, vele snoezige koala’s die zelfs mogen geaaid worden. Natuurlijk zijn ook de krokdillen in alle soorten en maten aanwezig net als de verschillende slangen in mooie grote terrariums. Ook op vlak van vogels kom ik aan mijn trekken met emoes, verschillende Casuaries, kraanvogels (hier Brolga’s genoemd) en de Australische ooievaar, de Jabiru, met zijn doordringende blik. Alleen de doorwandelbare volière valt me een beetje tegen. Na nog meer kangoeroes en koala’s gaat het dan naar het meer exotische deel van de dierentuin met Aziatische dieren zoal de kleine rode panda’s en de tijgers en tenslotte het Afrikaanse deel met giraffen, zebra’s en white rhino. Ik heb nog juist tijd voor een kijkje bij de stokstaartjes alvorens iedereen opgehaald wordt met het treintje, en we bij de uitgang afgezet worden. Op de parking neem ik nog een kijkje in het dierenhospitaal waar gewonde en/of zieke wilde dieren worden behandeld en gerehabiliteerd. Er zitten onder andere enkele herstellende Koala’s in kooitjes

Er rest me nu nog de rit naar Brisbane waar ik bij het invallen van de schemering de camping Brisbane Holiday Village oprijd. De receptie is gelukkig nog open, en ook het restaurant waar ik voor een smakelijke pizza ga. Ondanks de weinige kilometers die ik vandaag deed, zit ik nog steeds voor op schema, en kon ik lang genieten van de 2 mooie bezienswaardigheden van vandaag, zonder me ook maar een moment bezorgd te moeten maken over de tijd.

Vrijdag 24 november

Deze voormiddag is gereserveerd voor Brisbane en ik zie dan wel hoe ver ik vervolgens kom aan de Goldcoast. De dame aan de receptie gaf me gisteren al wat advies wat betreft het parkeren, want dat blijkt in de binnenstad erg duur te zijn, en stelde voor dat ik in de buurt van het South Bank Park een plekje zou zoeken in één van de zijstraten, want de camper is natuurlijk te hoog voor de ondergrondse parkings aldaar. Zo gezegd zo gedaan en nadat ik de sleutel van de slagboom inruil tegen de 50A$ waarborg die ik daarvoor moest betalen, ga ik op weg. Moeilijk is het niet, ik moet gewoon 10 minuutjes de Highway volgen en dan de afslag N°2 Stanley street nemen, en dan ben ik er. Het is even zoeken naar een parkeerplaats waar je meer dan een uur mag staan, maar uiteindelijk vind ik er toch eentje waar je 2u mag staan, 3u was ideaal geweest, maar de enige plaatsen waar dat mogelijk was, waren allemaal volzet. Ik heb echter al gezien hoe ik wat tijd kan winnen, er vaart immers een gratis ferrydienst, de Red Cityhopper op de Brisbane River die verschillende aanlegplaatsen heeft in de stad en aan de andere oever en eentje daarvan is op 5 minuten wandelen van de camper.

Ik wandel door het South Banks Park dat zowaar twee zwembaden met zandstrand te bieden heeft en dit op enkele minuutjes wandelen van het stadscentrum! De Australiërs maken er dan ook duchtig gebruik van. Voorts zijn er enkele speeltuinen met en zonder water, een groot reuzenrad naar analogie van de London Eye, verschillende verhoogde ligplaatsen met kunstgras en parasols, en natuurlijk het wandelpad langs de rivieroever. Bovendien worden een waterpartij, de kruidentuin en nog een ander deel van het park duchtig gerenoveerd. Aan de overkant van de rivier is er een mooi panorama van de stad met heel wat hoogbouw, een prachtige mix van (betrekkelijk) oud en nieuw. Ik steek via de Victoria Bridge de rivier over naar de binnenstad. Er staan enkele mooi gerenoveerde koloniale gebouwen, maar ook hypermoderne wolkenkrabbers met spiegelglas en soms worden beiden gecombineerd, waarbij de gevel van het koloniale gebouw wordt verwerkt in de nieuwbouw die er dan boven uit steekt als een bloem van tussen zijn bladeren. Ik wandel een blokje om, om nog wat foto’s te nemen van andere koloniale gebouwen en kom dan weer terug op de Queen street Mall, een voetgangerszone met allerhande winkels van de bekende merken en enkele shoppingmalls. Ook veel restaurants en terrasjes hier, een gezellige wandelstraat.

Het centraal station in oude stijl, verzinkt bijna in het niets tegen een achtergrond van enorme kantoorgebouwen, terwijl het ten tijde van de bouw waarschijnlijk één van de indrukwekkendste gebouwen van de stad was. Het zelfde geldt voor de St. Stephens Cathedral wiens toren nu zowat op enkelhoogte van de omringende reuzetorens komt. Maar het moet gezegd, het is allemaal smaakvol gedaan en het centrum van de stad is erg mooi, echt een stad om enkele uren in rond te dwalen of van op een terrasje mensen te kijken. Wat die mensen kijken betreft, viel het me al enkele keren op dat je ook hier toch wel wat armoede ziet, zwervers die duidelijk met hun hele hebben en houden de straten afdwalen. Zien bedelen heb ik ze vooralsnog nog niet zien doen, maar de staat van hun kleding en hun verzorging, samen met de plastiek zakken die ze met zich meesleuren, geeft duidelijk aan dat het hier daklozen betreft. En dan gaat het niet over Aboriginals, want die zijn sinds de Sunshine coast eigenlijk helemaal uit het straatbeeld verdwenen en hoe verder je zuidelijk gaat aan de Oostkust, hoe “blanker” deze wordt.

Aan de Eagle street Pier neem ik de Red Cityhopper en vaar met zicht op de Story Bridge, een knappe metalen brug, terug richting mijn startpunt. We varen voorbij een raderboot die rondvaarten doet, een rivierjachthaven en de floating walkway, een op pontons drijvende, houten boardwalk langs de oever. We ronden het stadsdeel met de Botanische tuin er in en komen terug aan bij het South Banks Park. Mijn parkeerticket is al een10-tal minuten geleden verlopen, maar er is (vooralsnog) geen spoor van een boete te bekennen. Het buiten rijden van de stad gaat vrij vlot, maar het is druk en de autosnelweg M1 naar de kust is zelfs nog drukker. Hier heb ik zelfs verschillende keren file en soms stilstaand verkeer. Ik had een deel van dat fileleed kunnen vermijden door reeds de afslag naar Surfers Paradise te nemen, maar ik aarzelde te lang en raakte niet meer op tijd in het linkse rijvak om de autosnelweg te verlaten. Een dus blijf ik tot enkele kilometers voor Palm Beach op de M1. Eens in Palm Beach neem ik een kijkje bij het Palm Beach Parkland, met een grote lagune die uitgeeft in zee en mooie witte zandstranden.

Nu houdt ik het zelfs op zulke paradijselijke stranden nooit langer dan een uurtje vol als er niet te snorkelen valt, en dus besluit ik na een late lunch met een broodje ham, kaas en tomaat, om een stukje terug het binnenland in te rijden om in de bergen van de Great Dividing Range naar het Springwood National Park te rijden om een wandeling te maken langs een gorge met watervallen en subtropisch regenwoud. Op het einde van de wandeling liggen de restanten van een oude zaagmolen, van de hier eens aanwezige bananenplantage. De kleine rivier heeft enkele mooie watervallen en een enkele zwemplek en het is er erg rustig. Rond 17u30 ben ik terug in Palm Beach en op camping Tallebudgera Creek Tourist Park, erg vroeg voor mijn doen. De gelijknamige Creek biedt zwemgelegenheid, naast de 3 zwembaden op de camping en natuurlijk is er ook de optie om naar het strand te wandelen om in zee te zwemmen. Ik houd het bij het nemen van enkele foto’s van deze plaatsen en van de zonsondergang. Nog gauw iets opwarmen om te eten, het reisverhaal aanvullen en gaan slapen. Morgen verlies ik een uur door de staatsgrens naar New South Wales over te steken. Als ik de kostprijs van de campings van de vandaag en gisteren er een keer op nakijk, zou het nog wel een keer een dure week kunnen worden, de campingprijzen liggen hier gemiddeld een 20A$ hoger dan voordien.

Zaterdag 25 november

Vandaag gaat officieel de laatste week van mijn vakantie in, ongelooflijk hoe snel het gaat! Omdat ik al snel de staatsgrens over zal zijn vandaag, zet ik maar ineens alle klokken en horloge goed, dan kan ik dat al niet meer vergeten. Ik ga eerst nog een stukje langs de kust terug naar Surfers Paradise, gewoon om het een keer gezien te hebben. Vraag is of dat wel zo’n goed idee was, want het is zaterdag en de schoolies zijn ook en masse het einde van hun schoolcarrière aan het vieren en dus is het heel erg druk, maar uiteindelijk valt het nogal mee. Wat een verschil echter met de kust een stuk noordelijker, die nog zo ongerept was, en zelfs op de toeristische plaatsen vriendelijke, gezellige dorpjes waren. Hier zijn echter alle registers open getrokken en wordt de kustlijn bepaald door een kakofonie aan hoogbouw, ondergrondse parkings, shoppingcenters en alle infrastructuur die bij een drukke badplaats hoort. En nog is het niet voldoende, want er wordt naarstig bijgebouwd!

Voor de meeste schoolies is het waarschijnlijk nog te vroeg, want er is wal wat jong volk op straat, maar niet de massa. Diegene die je ziet, sjouwen volle winkelkarren naar hun logieadres (met kar en al). Als ik in een zijstraatje tussen de flatgebouwen een parkeerplaats vind waar ik even kan staan om wat foto’s te gaan trekken op het strand, merk ik dat niet iedereen een logies heeft, maar gewoon overnachten op de zetels van hun auto, het hoeft niet gezegd zeker, dat die er behoorlijk verfomfaait uitzien. Ook op het strand is het nog erg rustig, maar toch zijn er al zonnebaadsters en zijn er al enkele die zich in de zee wagen. Het zal nog wel een tijdje duren eer de meute ontwaakt en het feest opnieuw losbarst. Het gebeuren is zo enorm dat het zelfs een nieuwsitem is. Sinds enkele jaren wordt er strenger toegekeken op de feestvierders, want de uitgelaten jongeren, zonder ouderlijk toezicht, zorgden voor nogal wat overlast en drank en drugs maakten daar een groot deel van uit, dit terwijl de meesten nog minderjarig zijn (17 jaar) en alcohol in principe dus niet voor hen toegelaten is (en dat wordt hier streng gehandhaafd in Australië, overal waar er alcohol te koop is, moet je uw identiteit en vooral je leeftijd kunnen bewijzen, als er daar twijfel over is). Er gaan zelfs stemmen op om die leeftijdsgrens op te trekken naar 21j. Maar momenteel verloopt alles rustig blijkbaar want er zijn nog maar een tiental jongeren opgepakt voor diverse feiten, wat op een aantal van enkele duizenden feestende schoolverlaters, dus erg weinig is.

Nu ik het beruchte Surfers Paradise achter me laat (zoals de surfers naar wie het vernoemt werd al jaren deden blijkbaar) gaat het echt naar New South Wales, ik probeer zovel mogelijk dicht bij de stranden te blijven, maar even vaak is dat niet mogelijk en moet ik naar de Pacific Highway. Voordeel is dat het daar wat beter opschiet dan in de drukke badstadjes met hun vele verkeerslichten, drukte en steeds wisselende snelheidsbeperkingen en controles. Ik zal blij mogen zijn als ik daar zonder boetes vanonder kom denk ik. Ik ben op weg naar Mullumbimby, waar zich het Crystal Castel en de Shambala Gardens moeten bevinden. In het stadje aangekomen, blijken die nog 11km verderop te liggen. Wie een kasteel verwacht (ik dus) komt bedrogen uit, want in feite is het een vrij zweverige bedoening , weliswaar in mooie tuinen met beelden en gebouwtjes die verwijzen naar het Boeddhisme en Hindoeïsme, met gebedsmolentjes en Nepalese gebedsvlaggetjes en al. Je kan er een peacemoment beleven, de tarotkaarten laten leggen of een aurafoto laten maken (help laat me hier uit!). Gelukkig zijn er de tuinen met reuzegrote kristallen die overal uitgestald staan, bordjes met uitleg over de standbeelden van de hindoegoden zoals Vishnu, Ganesh en vele andere en een restauratie waar ze lekkere broodjes hebben voor de lunch en organische fruitijsjes. In de bijhorende shop kan je boeken over yoga, bezinning en dies meer aanschaffen, net als geurkaarsen, Essent flesjes, gebedsvlaggetjes en allerlei (gemoeds)stenen en is er bovendien een uitgebreide juwelenwinkel waar voor elk type edelsteen, hangertjes, ringen, oorbellen, armbanden of losse stenen te koop zijn aan uiteenlopende prijzen.

Van hieruit moet ik door een mooi berglandschap opnieuw bij de kust zien uit te komen, in dit geval in Byron Bay. De smalle weg kronkelt door het groen landschap dat nog het best te vergelijken valt met een alpenlandschap. Eens uit de bergen probeer ik enige malen om de Pacific Highway te mijden, maar wordt op één of andere manier toch steeds naar die autosnelweg terug geloodst. Uiteindelijk blijf ik die dan maar volgen tot in Byron Bay. Ook dit is weer een badplaats die door de schoolies gefrequenteerd wordt en nu het al namiddag is, is het ook een stuk drukker. Overal zie je nog jongeren aankomen, sleurend met koffers of rugzakken, veel auto’s ook met een “P” of “L” op, jongeren met een voorlopig rijbewijs dus. Gelukkig zijn de meeste van hen niet geïnteresseerd in de bezienswaardigheden waar ik oog voor heb, al zijn er toch die ook hun weg naar daar vinden. In dit geval is dit het Byron Bay Lighthouse in het Byron Bay Conservation Park. De mooie witte vuurtoren staat, zoals de logica het voorschrijft, op een uitstekende landpunt, hoog boven de zee met uitzicht over de rotskliffen en zandstranden langs de baaien aan weerszijde. Een wandeling leid naar de kliffen onder de vuurtoren met enkel uitzichtpunten onderweg. Het laatste stukje tot op zeeniveau laat ik uiteindelijk voor wat het is, want ik heb tenslotte nog 140km af te leggen.

Ook nu weer loopt die route grotendeels via de Pacific Highway, deels omdat er geen alternatief is en deels omdat ook de “kustweg” enkele kilometers landinwaarts ligt. In Ballina, ga ik nog even de snelweg af voor een foto van de grote garnaal (zoals eerder ook al de grote avocado, Captain Cook, banaan, krab, krokodil enz… ). Wanneer ik weer verder zuidwaarts trek is de M1 of A1 hier nog niet volledig ontdubbelt, maar er wordt aan gewerkt en dat betekent vooral heel wat snelheidsbeperkingen. De route loopt dwars door de Nationale Parken Bundjalung en Yuraygir, vooral sub tropische bossen, met blijkbaar veel kangoeroes en koala’s. Die eerste krijg ik opnieuw te zien in enkele weides bij de koeien en paarden, maar de eerste koala in het wild, moet ik op deze reis nog te zien krijgen. In de dierentuinen die ik al aandeed viel het echter al niet mee om die beestjes tussen de bladeren van de eucalyptusbomen te ontdekken, wanneer er een bordje bijstond dat er in die bepaalde boom een koala beertje zat, laat staan van uit een rijdende auto. De enige kans dat ik er eentje te zien krijg is waarschijnlijk als die ergens in de grasberm autostop staat te doen. Blijkbar menen ze het hier ernstig want niet alleen staan er regelmatig de borden met een tekening van een koala of kangoeroe, zelfs op de elektronische tekstborden wordt ervoor gewaarschuwd en langs de weg is een hek van draadwerk gezet met een overhangend deel zodat de beestjes de baan niet op lopen.

Om 18u10 kom ik aan in Brooms Head, de camping ligt hier pal naast de weg, zonder afsluiting of wat dan ook, doch druk zal het hier noot zijn, want de weg loopt hier dood. De receptie van de camping is al gesloten, maar gelukkig zitten de eigenaars op hun terras in de achtertuin en kan ik hun aandacht trekken. De administratie en betaling zullen morgen worden gedaan, maar ik krijg alvast een plaatsje toegewezen en de code van de sanitaire blok. Vanop de camping loopt de weg nog naar het uitzichtpunt van Brooms Head, dat net zoals Byron Bay tussen 2 baaien uitsteekt, doch zonder vuurtoren deze keer. Het panorama is er niet minder fraai om. Vannacht slapen met het geluid van de golfslag van de zee op de achtergrond, het is een keer wat anders dan een spoorweg of vliegveld, nietwaar… . Bij een avondlijke wandeling naar de toiletten blijken de kangoeroes de camping ’s nachts over te nemen.

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » zo 26 nov, 2017 13:30

Een tweede reeks foto's:

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » do 30 nov, 2017 17:17

Zondag 26 november

Ik doe het deze dagen wat kalmer aan, kwestie van na volgende week toch wat uitgerust terug aan het werk te gaan. Bovendien zijn de bezienswaardigheden niet zo talrijk en ook de kilometers niet, dus kan ik het me permitteren van wat langer te blijven liggen en wat meer tijd te besteden aan het nog een keer bekijken van de planning. Het meeste dat erop staat komt neer op het landschap onderweg en dus lees ik er de reisgids nog een keer op na om nog wat extra’s te vinden. En dat lukt nog ook, natuurlijk niet de grootse dingen, want die zou ik bij de voorbereiding ook wel gevonden hebben, maar kleinere dingen die toch ook de moeite waard kunnen zijn. Vanmorgen waren de kangoeroes nog steeds aanwezig op de camping, maar ik sta dan ook vroeger op dan de meeste Australische of andere toeristen (maar momenteel zijn de binnenlandse toeristen een groter deel van de campingbezoekers). Echt heel dichtbij laten ze je niet komen, maar er vandoor gaan doen ze ook niet, een beetje verder weghoppen, en je dan in het oog houden terwijl ze verder grazen.

Eén van de plaatsjes die ik vanmorgen vond is Ulmara, nu zou ik daar waarschijnlijk gewoon voorbijgereden zijn, maar ik vond enkele lijntjes in mijn LP reisgids die het hadden over enkele pittoreske gebouwen, waaronder een hotel en dus rijd ik even van de Pacific Highway af, het centrum in. Veel stelt dat echter niet voor, één straat van nog geen kilometer lang, maar wel zoals de reisgids voorspelde met enkele mooie houten huizen. Veelal met een overdekt terras vooraan, zoals je ze ook wel in de Verenigde Staten terug vindt. Het hotel is het fraaiste van allemaal, met boven de overdekte boardwalk, een eveneens overdekt terras rondom, waar alle deuren van de kamers op uit komen met fraai houtsnijwerk, of misschien geschilderd smeedwerk, dat is niet direct duidelijk. In het plaatsje vind ook een recruterings barbecue plaats voor de lokale reddingswerkers, die in geval van noodsituaties alles coördineren, hulp bieden en informeren. Dergelijke lokale initiatieveen zie je hier overal in de kleine stadjes of gehuchtjes, gewoon omdat er geen geld is om een volwaardige hulpdienst te organiseren en het sociaal weefsel in die plaatsjes nog heel erg dicht is. Je wordt als reiziger ook altijd vriendelijk begroet in dergelijke plaatsjes.

De volgende bestemming, Grafton, stond wel reeds op de planning, maar de dubbellaagse ijzeren brug met open scharnierend deel, is wel een verrassing. Het is een historisch monument, maar momenteel nog druk in gebruik en de enige manier om de rivier over te komen. Enkele tientallen meters verderop wordt er naarstig gebouwd aan een moderne brug en blijft de oude roestige brug hopelijk behouden als historisch monument. De betonnen pijlers die de weg naar de brug ondersteunen op de oever, zijn smaakvol beschilderd met graffiti taferelen, en dan bedoel ik geen ordinair tags, maar echte kunstwerkjes. Ik rijd Victoria street in waar er ook enkele oudere gebouwen het bekijken waard zijn zoals het oude Courthouse, het postgebouw (beroepsmisvorming zeker) en het posthotel en nog twee andere hotels in dezelfde stijl als deze in Ulmara. De brede straat wordt langs beide kanten door grote Jacaranda bomen begrenst, die zo groot zijn dat ze de ganse straat overkoepelen. Jammer genoeg zijn ze al uitgebloeid, want dit moet een prachtig paars festival zijn in de bloesem periode. Het enige volledige stenen gebouw is hier de Kathedraal, en daar met je jezelf geen enorm groot gebouw bij voorstellen, eerder een klein kerkje. De religieuze gebouwen in Australië zijn over het algemeen erg ingetogen en vaak zelfs alleen dusdanig te herkennen door een opschrift, of een bord bij het gebouw.

Ik verlaat Grafton opnieuw via de Clarence River Bridge en trek naar Red Rock, opnieuw een plaatsje dat ik vanmorgen toevoegde. De Aboriginals hebben een andere naam voor deze plaats, vrij vertaald de Dodenrots, en dat heeft te maken met de niet zo kuise Australische geschiedenis en behandeling van Aboriginals. Tot halverwege vorige eeuw (zelfs tot de jaren ’80 wat betreft sommige behandelingen!) werden de Aboriginals niet beter behandeld als de First Nations (de indianen) in de USA. Zo werd hier een hele stam opgejaagd, mannen, vrouwen en kinderen, naar de kaap en er vervolgens de dood in gejaagd door ze over de kliffen te jagen. Om zo de weg vrij te maken voor de kolonisten en de oorspronkelijke eigenaars van het land kwijt te raken. En dit was zeker geen éénmalig feit, ook werden hele stammen in reservaten op de meest ongunstige en onvruchtbare gronden opgesloten, hadden geen rechten en werden zelfs niet als mensen beschouwd.

Tot in de jaren ’80 werden Aboriginal kinderen afgenomen van hun ouders en ter adoptie aangeboden aan blanke families, opdat ze als “blanke” kinderen zouden worden opgevoed. Ook de kerk had daar geen propere handen in en had een soort internaten waar Aboriginal kinderen werden opgevoed buiten de wil en de invloedsfeer van hun ouders. We praten dan over 1980, niet over 1880!!! Voor de Aboriginals is dit dan ook één van hun heilige plaatsen. De plaats des onheils vind ik niet zo onmiddellijk terug (de minder fraaie historische plekken, krijgen niet altijd de aandacht, die ze zouden moeten krijgen, het is al een hele mentaliteitswijziging dat die gebeurtenissen erkent worden). Voor de rest van de wereld is dit een mooie baai, met rustig zwemwater en groene ligweides om te zonnen. Na het eten van een hamburger, laat ik me ook verleiden om hier een uurtje te snorkelen, het water blijkt hier al een stuk frisser dan in het hoge noorden, maar dan heb ik het over Middellandse zee temperaturen, zeker nog geen Noordzee temperaturen. Ook geen koralen hier en de vissen zijn een stuk minder kleurrijk dan de rifbewoners, op enkele kleinere exemplaren na.

Ook Coffs Harbour ligt aan de zee en heeft naast de grote banaan, naar verluid de eerste van de “Big things”, ook nog enkele andere bezienswaardigheden, doch ik beperk me tot de haven met de houten jetty of steiger en het Muttonbird eiland. Dat eiland is technisch gezien geen eiland meer omdat je er over de Breakwater (een dam eigenlijk) naar toe kan wandelen. Die dam tussen het vasteland en het eiland kwam er om Coffs Harbour veiliger te maken voor de scheepvaart. Grote nadeel hiervan was dat het eiland veel gemakkelijker bereikbaar werd voor mens en dier die het op de Muttonbirds en hun eieren of jongen gemunt hadden. Geen idee wat de Nederlandse benaming van de vogel is, het is een vrij onopvallende vogel, donker van kleur, met een kleine bobbel op de snavel en heeft nog het meest weg van een duif. Ze maken ondiepe nesten waarin ze hun ei leggen en zijn dus een gemakkelijke prooi voor vossen, ratten en andere knaagdieren of roofvogels. Normaal is dit het seizoen van het paartjes vormen en het leggen van de eieren, na het uitkuisen van de oude nesten, maar blijkbaar ben ik nog juist te vroeg, want ik vind slechts één nest waarin een ei te zien is. Veel vogels zie ik er trouwens ook niet, maar dat is blijkbaar normaal, die komen pas na de schemering terug van zee, met een volle maag van het vissen. Ik wandel het ganse eiland over langs de geplaveide wandelweg en keer langs datzelfde pad weer terug.

Normaal had ik hier een overnachting gepland, maar ik besluit nog even verder te rijden tot in Nambucca Heads waar de White Albatros Camping van Ingenia Holidays op de punt van het schiereiland gelegen is, rond een lagune. Gezien het bijna sluitingstijd is van de receptie, gaat het inchecken aan een nogal snel tempo vooruit, en is het me niet helemaal duidelijk, hoe de receptionist mijn betaling heeft uitgevoerd. Een kleine wandeling om nog even de benen te strekken, brengt me lang de lagune naar de met grote rotsen afgeschermde breakwater, die de lagune van de zee scheidt. Deze rotsblokken vormen ook een canvas voor naarstige schilderaars die er naar hartenlust hun kunsten mogen op botvieren. Dat gaat van kleine kunstwerkjes tot “I was here” berichtjes en zelfs enkele RIP berichtjes op deze zogenaamde V-wall.

Ik besluit een keertje gebruik te maken van de Campkitchen, die je hier op elke camping terugvindt met gasovens, gasbbq, microgolfs, afwasbassins en ijskasten, en soms zelfs een tv, vooral gericht op tentkampeerders. Ik heb vandaag enkel hotdogbroodjes kunnen kopen en kan nu eindelijk de hotdogworstjes klaarmaken die ik al enkele weken meezeul in de ijskast. Ik eet ze dan ook daar aan de tafel maar op en volg met één oog een kookwedstrijd op TV en het bakken van pizza’s en andere maaltijden door enkele andere kampeerders ter plaatse. De wifi is hier goed en dus neem ik ook de tijd om het reisverhaal nog een keer door te sturen, evenals een reeks foto’s en enkele prentbriefkaarten aan te maken.

Maandag 27 november

Vanmorgen een beetje hetzelfde scenario als gisterenmorgen, en tegen 9u besluit ik te vertrekken, echter niet zonder langs de receptie te passeren, om te zien hoe dat nu met die betaling in elkaar zit. Volgens mij heeft de receptionist gisterenavond de kaart “getapt” (wordt gewoon voor een lezer gehouden die automatisch de chip uitleest en een betaling uitvoert) doch ik heb geen bevestiging van die betaling en het bedrag van 32 euro gekregen en daar ben ik niet mee akkoord. Dit is een betaalwijze die hier in Australië veel wordt gebruikt, maar ik sta erop om de kaart in te laten lezen in de lezer en mijn pincode in te brengen, trouwens volgens mij werkt die optie zelfs niet op mijn kredietkaarten (en dat wil ik ook zo houden). En inderdaad blijkt er wat mis te zijn, er is geen spoor van een betaling met kredietkaart, de kaart zelf werd wel geregistreerd in hun systeem, maar de betaling staat vermeld als cash-betaling en dat klopt zeer zeker niet. Uiteindelijk moet ik niet betalen en is dit dus een goedkope overnachting geweest.

Ik heb een kleine wijziging aangebracht in mijn planning en rijd in plaats van naar Stuarts Point naar South West Rocks, een verschil van maar enkele kilometers, maar ik heb in die laatste een bezienswaardigheid gevonden die ik over het hoofd had gezien. Het gaat over de ruïnes van de Trial Bay Goal, een voormalige gevangenis, gebouwd om de dwangarbeiders te huisvesten die de breakwater voor de Trial Bay moesten aanleggen. Deze plaats lag immers halfweg tussen Sydney en Brisbane en deed als noodhaven dienst in geval van slechte weersomstandigheden, doch indien de wind van uit een welbepaalde richting kwam, werden de schepen door de golven het strand op gedreven waardoor ze schipbreuk leden. Door omstandigheden zou de dam nooit vervolledigd worden (stormen speelde de bouwers parten en de schepen werden groter en beter bestand tegen de slechte weersomstandigheden, waardoor de noodhaven, die bovendien verzande door het reeds gebouwde stuk dam, ineens niet meer nodig was.

De gevangenis werd gesloten en de gevangenen en hun bewakers overgeplaatst naar andere gevangenissen in New South Wales. De gevangenis was namelijk al jaren een doren in het oog van enkele hooggeplaatsten die het gevangeniswezen bestierden en het gevangenisregime ter plaatse te zachtaardig vonden. De geïnterneerden waren immers veelal gezonde, sterke mannen die bijna op het einde van hun straf gekomen waren of opgepakt waren voor kleinere misdaden. Lijfstraffen en zelfs opsluiting ’s nachts achter gesloten deuren waren niet van toepassing en er werd zelfs een vorm van penitentiair verlof toegekend aan harde werkers. De hervormers van het gevangeniswezen wilden echter terug naar het veel strengere Engelse systeem, waarbij lijfstraffen, op het randje van martelen zelfs, en solitaire opsluiting in voege waren. Het gedacht was daarbij dat die strenger aanpak beter zou zijn voor hun herintegratie in de maatschappij door afschrikking in plaats van door hard werken.

De gevangenis stond te verloederen tot wereldoorlog 1 de kop opstak. Met het uitbreken van de oorlog werden duizenden Duitse migranten die in Australië woonden opgepakt en geïnterneerd. Vooral mannen dan, waardoor de gevangenissen uit hun voegen barsten en Trial Bay Goal opnieuw werd in dienst genomen. In principe waren dit dus geen misdadigers, maar gewoon mensen die werden opgepakt wegens hun afkomst en behandeld als krijgsgevangenen. Dit was de tweede “bloeiperiode” van de gevangenis, die zou duren tot in 1918, niet wegens het einde van de oorlog, maar uit vrees voor een “bevrijding” door een Duits schip onder valse vlag, dat in de buurt zou gesignaleerd zijn. De gevangenis werd in allerijl worden geëvacueerd, en alles wat te groot of te zwaar was om mee te nemen, werd in brand gestoken. Vele metalen delen zouden later per opbod verkocht worden om wat geld te recupereren.

Het was dan wachten tot 1950, op een gedeeltelijke restauratie van de Goal. De enige permanente bewoners nu zijn 2 kangoeroes die grollen als je te dicht bijkomt (nooit geweten dat die beesten dat doen trouwens!) Eventjes verderop staat er een monument voor enkele Duits geïnterneerden, opgericht door hun medegevangenen, die hier zouden sterven, en dat in 1919 opgeblazen werd als wraakactie, na de terugkeer van de vele gewonden of zelfs overleden Australische soldaten uit Europa. Later zou een nieuw monument gebouwd worden. Ook op dezelfde heuvel 2 munitiedepots gebouwd om de explosieven in op te bergen, die gebruikt werden in de steengroeve om de rotsen op te blazen voor het bouwen van de dam. Eentje ervan zou de nacht voor de explosie van het monument eveneens opgeblazen worden.

Ik rijd nu door het Had Head National Park naar het Smoky Cape Lighthouse, waarvan ik weer een mooi panorama van de stranden langs de kust voorgeschoteld krijg. Op de Captainh Cook lookout wordt ik nog verrast door een meter lange Goanna die naast het pad doodstil in het gras ligt, tot hij me in het oog krijgt. Dan stechelt hij er flux vandoor. Van hieruit gaat het via Kempsey en een stukje Pacific Highway naar Port Macquarie waar naast enkele mooie houten gebouwen in de winkelstraat, het hypermoderne Glasshouse de aandacht trekt. De inhoud ervan lijkt me echter niet zo interessant. Ook hier weer een breakwater met geschilderde rotsblokken. Het stadje beschikt ook over heel wat aantrekkelijke stranden op enkele minuutjes rijden van het centrum. Ook de camping ligt wat dat betreft op een heel erg mooie plaats en doet me even twijfelen om hier te blijven, doch ik kies er toch maar voor verder te rijden naar Bonny Hills, waar Het North Coast Holiday Park in terrasvorm de golven trotseert. Terwijl er rondom mij gebarbecued wordt, stel ik mij tevreden met het laatste potje noodels, de voorraadkas raakt stilaan leeg.

Dinsdag 28 november

Geen wildlive op de camping vanmorgen, of je moet de galla’s meetellen. Die galla’s zijn de grijs-roze parkieten of kaketoes, of wat voor type papegaaiachtige ook, die ik al op veel plaatsen tegenkwam en hoorde (het zijn beruchte lawaaimakers), maar waarvan ik de naam niet (meer) kende. Rond 9u nog even de betaling in orde maken, want gisterenavond was hun systeem al afgesloten, en dan opnieuw de baan op. De eerste stop is niet zo ver af, in het Dooragan National Park, al kom ik door een verkeerde afslag eerst in het Crowdy Bay National Park terecht. Niet erg want dat stond toch ook op de lijst. Nadeel is wel dat de weg in het park onverhard is, en na 3 pickups die op volle snelheid komen voorbij geraasd en een regen van steentjes die op de camper kletteren als gevolg, heb ik er de buik vol van en draai terug. Landschappelijk kon het mij toch al niet erg bekoren met de ondoordringbare lage struikjes en ik heb er goede hoop in dat ik nog wel delen van dat park zal zien, maar vanuit een ander perspectief.

De weg naar het Dooragan National Park is gelukkig wel geasfalteerd. Op de parking staat een monument ter herdenking aan de Australische soldaten uit deze regio die gesneuveld zijn tijdens de 1e Wereldoorlog in Gallipoli, België en Frankrijk. De verschillende lookout platforms geven een uitzicht op de baaien en wetlands van de omgeving, met zoals ik al dacht ook een uitzicht op het Crowdy Bay National Park. Het zijn in principe zeeën van groen, begrenst door een witte lijn van de stranden in halve maanvorm en het turquoise blauw van de zee. Er loopt ook nog een wandelpad het subtropische woud in, dat naast vele bomen, varens en lianen ook horden muggen in petto heeft. Een paar krijgen me al te pakken nog voor ik de spray kan gebruiken. Het lusvormige pad, waarvan een deel rolstoelvriendelijk zou moeten zijn, wordt blijkbaar weinig gebruikt en nog minder onderhouden. Takken, omgevallen bomen en spinnenwebben zorgen voor obstakels en de beton van het rolstoelpad is groen van het mos en glad van de dode bladeren. Het geeft de wandeling wel een mooie spookachtige sfeer. Waar het betonnen pad op het bospad aansluit is er nog een verborgen viewing platvorm.

De route naar Forster loopt eigenlijk permanent door verschillen Nationale en Natuurparken, zelfs als het een deel de Pacific Highway is. Het volgende park waar ik stop is het Booti Booti National Park, waar er opnieuw een uitkijkpost is waarvoor je echter een 420 tal trappen moet doen, door een door muggen ingenomen bos en dus haal ik maar opnieuw mijn van een insectennet voorziene hoed boven die in het North Territory en Tropisch Queensland al enkele malen goed dienst heeft bewezen. Enige nadeel, het is wel extra warm achter zo’n net. De ongelijke trappen van boomstammen en aarde liggen juist iets te ver uit elkaar om comfortabel te zijn, maar ik geraak zonder ongelukken boven en lk kan daar dan nog eens drie verdiepingen naar omhoog in de uitkijktoren? Met als beloning opnieuw een mooi panorama en bovendien een lekkere zeebries die voor wat afkoeling zorgt na de klim. Volgens mijn informatie zitten er hier ook overal Koala’s, doch ze blijven dan blijkbaar wel buiten mijn zicht. Twee andere bezienswaardigheden blijken de moeite niet, zo is de Green Cahedral gewoon een (groene) tent in het bos, waar op bepaalde tijdstippen missen worden opgedragen en blijken de Ruins, de naam van een camping te zijn.
De weg slingert zich nu door mooie bossen met af en toe doorkijkjes naar meren en steeds het silhouet van bergen op de achtergrond.

Het Myall Lakes National Park is een langgerekt park, dat ik eigenlijk de rest van de dag blijf volgen. Af en toe las ik wel een zijsprong in die dieper net park binnen dringt. Zo is er de weg naar de Seal Rocks, waar naar verluid dus zeehonden kunnen te spotten zijn, ik weeg mijn woorden, want ik zag ze zelf niet De rotsige kust en eilandjes maken het echter wel de moeite waard. De weg loopt verderop nog een stukje door naar het Sugar Loaf Lighthouse. Nu staan vuurtorens logischer wijze steeds op hogere kliffen opdat ze beter zichtbaar zouden zijn, en in de buurt van kliffen omdat ze daar juist voor waarschuwen. Dat betekent ook dat de ligging gewoonlijk erg fotogeniek is, en dat er moet geklommen worden. De benen krijgen genoeg training vandaag, want het is niet anders bij het Sugar Loaf Lighthouse. Bijzonder aan deze toren is dat er 2 lampen in werken, de witte die over het water zwiept en een rode die permanente op de Seal Rocks gericht staan, om de nachtelijke scheepvaar er op attent te maken. Aan de voet van de klip waarop de vuurtoren staat, zijn er prachtige rotspartijen met zelfs een natuurlijke brug en een smalle canyon waardoor het water bij onstuimige zee door geperst wordt als doorn een blowhole.

Gezien de route naar de vuurtoren op de parking doodliep, moet ik terugkeren via dezelfde weg. In de baai met uitzicht op de Seal Rocks, merk ik een eigenaardig verschijnsel op, het water is er donkergroen van de algen, zeewier of andere waterplanten, de zin om te gaan zwemmen is meteen over. Het verschijnsel doet zich ook niet over het ganse strand voor, maar in één bepaalde hoek van de baai en niet constant, want er lag wel een beetje droog groen spul boven de waterlijn, maar niet erg veel. Het zal wel natuurlijk zijn, maar aantrekkelijk is het niet. Ik heb nu nog een 80km af te leggen die grotendeels door het Myall Lakes NP loopt op de Pacific Highway. Nog een weetje daarover: men mag op die highway fietsen, het is te zeggen op de pechstrook, bij afritten wordt er dan ook telkens gewaarschuwd voor overstekende fietsers.

De toegang tot het Big 4 Karuah Jetty Holiday Park blijkt verspert door vers aangelegde betongoten en ik wordt naar achterom verwezen om binnen te raken n dan vervolgens de volledige camping te doorkruisen naar de receptie. Door slechte timing mis ik de kans om nog even in het zwembad te gaan. Dan maar het laatste blikje opwarmen als avondmaal, nu blijven er alleen nog wat minuutsoepjes, de cornflakes voor het ontbijt en een halve doos cracotten over als mondvoorraad. Morgenavond dus wel zien voor een camping met restaurant in de buurt en volgens plan zal dat ergens in de buitenwijken van Sydney zijn normaal.

Woensdag 29 november

Vanmorgen nog een nieuwe diersoort gespot, die ik hier nog niet gezien had, het lijkt een beetje op een kangoeroe, maar zonder buidel, veel kleiner en met een kort staartje. Met andere woorden dwergkonijntjes. Het is één van die diersoorten die door de blanken ingevoerd zijn en sindsdien een pest zijn, net als verwilderde huiskatten, ratten en muizen. De hoofdingang is vanmorgen terug open en dus kan ik via de gewone weg naar buiten. Ik heb de planning nog maar een keer aangepast en besloten om ook het schiereiland Port Stephens aan te doen. Meer bepaald Nelson Bay en Anna Bay. Ik begin met Nelson Bay waar ik op zoek ga naar de vuurtoren, altijd een garantie op mooie uitzichten op dergelijke plek. En vinden is gewoonlijk ook geen probleem, gewoon naar het strand en dan een heuvel of klif zoeken en dan heb je het. Zo ook hier, met het bijkomende voordeel dat je tot bij het lighthouse kan rijden en er dus geen vermoeiende wandeling volgt.
Op het terras zitten, naast de mensen natuurlijk, ook een deel veelkleurige parkieten, die zich nu wel een keer goed laten fotograferen in al hun pracht en praal. Dat doe ik dan ook uitgebreid onder het genot van een stukje bananenbrood. Verder zijn er natuurlijk ook de mooie stranden te bewonderen en de smalle toegang tot Nelsons Head naar de beschutte baai. Een klein museum verteld over de werking van de vuurtoren en zijn bewakers. Net als de vorige vuurtorens, is deze nog altijd werkzaam, al zijn de kerosinelampen wel vervangen door veel sterkere elektrische lampen en de vuurtorenwachter door een volautomatisch systeem. Aan de nog wel bemande radiokamer hangt een bord met het aantal geredde personen dit jaar en vorig jaar en dat schommelt toch altijd rond de 180 personen! Nu ik éénmaal een konijntje gezien heb, blijven die maar rondhoppen, ook hier zit er eentje vlijtig te knabbelen.

Verder maar weer naar Anna Bay, waar volgens de informatie de grootste wandelende duinen van Australië te vinden zijn. Het is in elk geval de eerste keer dat ik hier echt veel duinen zie aan de oostkust. Deze zijn bekend onder de naam Worimi Conservation Lands en maken deel uit van het Tomaree National Park, en zijn blijkbaar Aboriginal Territory. Zoals ik al zei zie je de Aboriginals hier zelden of nooit in het straatbeeld in het zuidoosten, maar blijkbaar zijn ze onderhuids toch nog wel aanwezig. Ik zag de laatste week trouwens ook al twee culturele centra van de Aboriginals, maar diegene die ik tot nu toe al bezocht, waren me toch wat te commercieel en dus heb ik ze links laten liggen. Ook de duinen worden commercieel uitgebaat (niet door de oorspronkelijke bewoners) door bedrijfjes die toeren met 4x4 busjes door de duinen aanbieden en zandboarden van de duinen. Geen van beide trekken ze me aan, als het nu nog zelf met een quad door de duinen rijden zou geweest zijn… . Dus na enkele foto’s ga ik er maar weer vandoor en zover ik weet is geen enkele duin me gevolgd.

Mijn volgende bestemming is nog een keer een stad, eentje met redelijk wat industrie ook, en ook redelijk druk. Bovendien zijn een deel van de straten afgesloten en andere voorzien van afsluitingen naast de baan, want blijkbaar wordt er hier een racewedstrijd met racewagens voorbereid op een stratencircuit. Via een kleine omweg geraak ik tenslotte toch bij het Fort Scratchley waar ik een uurtje of twee rondscharrel. Je vraagt je af waar ze zo’n naam uithalen, maar dan blijkt dat uiteindelijk één of ander militair bevelhebber geweest te zijn, waarnaar het fort genoemd werd. Naast de goed bewaarde gebouwen zijn er ook de tunnels onder het fort die kunnen bezichtigd worden op een toer en staan er nog enkele kanonnen, die elke dag afgevuurd worden, ter nagedachtenis van de aanval door een Japanse onderzeeër die Newcastle bestookte met granaten. De Japanse kapitein had zich daarvoor strategisch achter Nobby’s Head verscholen, zodat het geschut op het fort geen zicht op hem had. En ook een ander geschut verderop langs de kust had geen kans omdat het licht van de vuurtoren destijds om één of andere reden vervangen werd en veel minder fel was, zodat ook zij de onderzeeër niet konden zien. Het beruchte Nobby’s Head kan ik helaas niet op, omdat door de straatrace de toegang volledig is afgesloten. Te voet had nog gekund, maar het wordt hoog tijd dat ik richting Sydney vertrek.

En dat dit een wijze beslissing was, blijkt al snel, want de eerste keer sinds ik in Australië ben, heb ik te maken met lange files met stilstaand verkeer, goed om me voor te bereiden op volgende week in België! Even vrees ik dat dit de resterende 150km het geval gaat zijn, maar gelukkig gaat het eens op de deels ontdubbelde Pacific Highway terug een beetje vlotter en is het pas als ik de voorgeborchte van Sydney nader, dat de drukte opnieuw toeneemt, en dit keer blijft dit zo tot op enkele honderden meters van het Sydney Lakeside Holiday Park in Narrabeen. Het wordt met zijn 55A$ ook één van de duurste campings van de reis. Een restaurant is er niet ter plaatse, maar wel eentje een eindje verderop die al wandelend goed bereikbaar is. Ze doen er een steak special voor 20A$ voor een steak met frietjes en sla. Een biertje en een crème brulée maken de maaltijd af. Morgen de 2e extra dag die ik nog opgespaard had, in Sydney doorbrengen, want vrijdagavond vertrek ik weer richting België en dat betekent rond de middag de camper binnen brengen en vervolgens richting luchthaven met de taxi.

Donderdag 30 november

Vanmorgen wat later vertrokken, gezien de dame aan de receptie me gisterenavond zei dat het spitsuur naar Sydney tot ongeveer 10u duurt. Dus iets voor tienen vertrokken, maar file was er natuurlijk nog steeds. Om het nog wat moeilijker te maken waren er dan onderweg ook nog heel wat wegenwerken, die natuurlijk ook niet helpen en dan kwam het ergste nog, een parking vinden, niet te ver van het centrum. Het werd al snel duidelijk dat een parkeerplaats gewoon op straat een onmogelijke opdracht ging worden, maar ook de parkeergarages bleken een probleem, want niet geschikt voor een camper van 2m70 hoog natuurlijk. Een eerste poging mislukte, de aangegeven hoogte was alleen voor de plaatsen van de leveranciers (de parkings bevinden zich meestal onder kantoorgebouwen, hotels of winkelcentra en dergelijke). Maar met een tweede, na eindeloos rondjes rijden, bleek wel een oplossing te hebben. Eerst was er sprake dat ik de sleutel zou moeten achter laten, maar daar ben ik niet scheutig op, zeker met al mijn materiaal aan boord, maar gelukkig reed er een auto weg waar ik dan kon staan zonder anderen te hinderen en kon ik mijn sleutel behouden.

Even op Maps.Me de plaats van de garage ingegeven op mijn tablet, zodat ik de camper later ook terug vind, en dan op stap. Ik heb al besloten om het bij het meest toeristische deel van Sydney te houden, tenslotte kan je hier gemakkelijk een week rondlopen en nog alles niet gezien hebben. Het is wel zo dat ik dit in ’96 al een keer gezien heb, en hier ook al een dagje was op doorreis naar Nieuw Zeeland, dus ik ken het hier al wel een beetje, of toch in grote trekken. Ik begin met een wandeling naar Circular Quay, vanwaar alle ferry’s en rondvaartboten vertrekken. Er ligt tevens een enorm cruiseschip aangemeerd de Norwegian Jewel, die ervoor zorgt dat het bijna onmogelijk is om een foto te maken met en het operagebouw en de Harbour Bridge op één plaatje. Via de Rocks, de oude havenwijk die deels opnieuw gerenoveerd wordt en dus in de stellingen staat, wandeling langs het water naar de Harbourbridge en Dawes Point Park vervolgens naar Observatory Hill. Aan de voer daarvan staat er een Mexicaanse foodtruck en de foto van de lekkernijen doen me al watertanden. Gezien het ondertussen ook al middag is (!) besluit ik maar ineens een Mexicaanse hap te bestellen en daar ter plekke in het parkje op een bank op te eten, naast een groep fitness groupies. Dat fitnessen lijkt hier in de stad (en bij uitbreiding in vele steden in Australië) een ware rage, op elk grasveldje of in elk park zie je wel (goed onderhouden) fitnesstoestellen en borden met oefeningen staan. Ook joggen wordt hier massaal gedaan, zelfs op deze werkdag, fietsen lijkt dan weer meer voorbehouden voor de jeugd (en die zit nu op school) of fietscourierdiensten, het moet trouwens nog niet meevallen dat fietsen, want er zijn wel enkele afgescheiden fietspaden, zoals bijvoorbeeld op de Harbour Bridge, maar in de gewone straten meestal niet.

Na mijn snelle lunch gaat het de trappen op naar het Observatorium, waar er reeds heel erg lang, van in de 19e eeuw, naar de sterren en planeten van het zuidelijk halfrond gekeken wordt. Ook nu gebeurt dat nog, maar is het gebouw grotendeels ook ingericht als museum met allerlei telescopen en andere instrumentaria voor het kijken naar de hemel, het navigeren en het vaststellen van de juiste tijd in vergane jaren. Je kan er zelfs tot in de koepel waar nog een grote telescoop opgesteld staat. Van in het bijbehorende parkje heb je een mooi zicht op de Harbour Bridge en de innerhaven naar de Parramatta rivier toe. Het is naar die Harbour Bridge dat ik nu trek, doch deze keer niet er onder, maar er op. Naast de autoweg, de treinsporen en een fietspad, ligt er namelijk ook nog een voetpad op de brug, voor de waaghalzen is er ook nog de optie om georganiseerd de klim naar boven via de bogen van de brug te maken. Maar dat ga ik mijn, door de slechte kussens van mijn camperbed geradbraakte rug, niet aandoen. Ondanks dat ik er vanmorgen al met de auto ver reed, wandel ik ze nog een keer over, en terug natuurlijk. Alvast een tip voor mensen die ook et de auto naar Sydney komen, aan de minder toeristische oever van de brug, lijkt me meer legale mogelijkheid om naast de baan te parkeren en zo te voet via de brug het centrum te bezoeken.

Terug in de CBD, zoals het centrum hier genoemd wordt, verken ik verder de achterliggende straatjes van de The Rocks wijk, want die behelst meer dan alleen de havenoever. Het is dé toeristenbuurt van Sydney, met vele restaurantjes, boetieks, café’s en souvenirwinkeltjes, maar ook vele oudere gebouwen, de meeste mooi gerestoreerd en met al extra de moderne wolkenkrabbers als silhouet erachter. Een mooie mengeling van oud en nieuw, van steen en glas en staal. Die moderne gebouwen zijn trouwens erg knap moet ik zeggen, geen trieste rechthoekige betonblokken, maar uitdagende sexy vormen als cilinders, spieën, halve manen, spiegelend in verschillende tinten. En als er dan toch beton zichtbaar is, dan is het bijna speels, alsof een kind allemaal blokjes op elkaar gezet heeft. Het zorgt in elk geval voor een mooie skyline. Ik daal via de verschillende straatjes terug af naar Circular Quay, maar in plaats van linksom, ga ik nu rechtsom, richting Opera House. Iedereen kent wel de iconische vormen van het Sydney Opera House, een ontwerp dat tijdens het ontwerpen en de bouw trouwens erg veel tegenkanting kreeg. Ik begin aan de achterkant (dus de kant die naar de haven wijst) voor enkele foto’s. en op mijn wandeling daarheen, merk ik toch één groot verschil met toen, nu is het hier een gezellige, sfeervolle, alswel commerciële bedoening, met het restaurant en de bar, terwijl in ’96 het hier maar een kale en bijna verwaarloosde bedoening was, Sydney onwaardig. Doch de renovatie die zowel het Opera House als de omgeving onderging, is erg geslaagd en nodigt nu echt uit voor een drankje en een hapje, terwijl je geniet van het drukke scheepsverkeer op de rivier.

Als ik bijna rond ben, blijkt dat de voorkant niet te bezoeken is wegens één of ander evenement dat voorbereid wordt, met veel tentjes en kramen die het zicht verpesten. Dan maar verder naar de Botanische tuin, één van die groene longen van de stad, en heerlijk om in het gras de voeten en het lijf wat laten te verpozen van het wandelen, in de schaduw van de grote bomen. Hier bevindt zich ook het Government House, een waar paleis in een knappe tuin. Het gaat dan om de residentie van de premier van de deelstaat New South Wales, niet van het land, want die zetelen in Canberra, een stad die volledig in het perspectief van de politieke machten gebouwd werd, als derde hond die er met het been vandoor ging, in de vete tussen Melbourne en Sydney voor de titel van hoofdstad van het land. Ik wandel via enkele straatjes terug richting parkeergarage van de camper, de tijd nemend om af en toe een foto te nemen van een gebouw. Het is dan bijna 18u00 en dus zal ik sowieso weer in het spitsuur terecht komen. Het afrekenen van de parkeergarage is nog een heftige schok, liefst 89A$ voor een goed 8 uur parkeren. Maar daar staat tegenover, dat hij veilig ergens binnen stond en ik niet regelmatig terug moest om een parkeermeter aan te vullen.

Ik stort me opnieuw in het verkeer, de GPS heeft het wat moeilijk om ontvangst te krijgen tussen de hoge gebouwen en reageert daardoor ook trager, wat nogal een keer voor problemen zorgt, omdat ik op het laatste moment soms nog alle rijstroken moet kruisen om een afslag te nemen. Op deze terugweg gaat het via de Harbour tunnel in plaats van de brug om de stad uit te rijden. Het is eigenlijk file tijdens de volledige 21km naar het Sydney Lakeside Holiday Park in Narrabeen. Maar gisterenavond zocht ik tevergeefs naar een alternatief, dichter bij het huurbedrijf en/of de luchthaven aan de zuidkant van Sydney. Dat betekent dat ik morgen nogmaals de drukte van de stad zal moeten trotseren om ze volledig te doorkruisen. Ik opteer vanavond voor het diner bij de chinees recht over de camping. Het varkensvlees in zuurzoete saus is lekker, evenals de dumplings als het voorgerecht met de sweet chilisaus. Opruimen of koffers inladen doe ik vanavond nog niet, dat is voor morgenvoormiddag. Het reisverhaal nog bijwerken en proberen te verzenden met eventueel nog wat foto’s en dan is het weer al veel te laat vrees ik. Maar morgenavond op het vliegtuig kan er nog 23 uur geslapen worden.

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Yohani
LROCB-Member
Berichten: 896
Lid geworden op: za 13 mar, 2004 14:15
lrocb_lidnr: 64
Woonplaats: Putte (Mechelen)
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Yohani » do 30 nov, 2017 17:18

Een derde en laatste reeks foto's uit Australia:

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding

Yohani :P
Eigen websites: Reiswebsite; http://www.yohani.be/reizen/ Zelfbouw camper; http://www.yohani.be/campersite/

Gebruikersavatar
Penguin
LROCB-Member
Berichten: 2897
Lid geworden op: vr 25 jul, 2003 13:32
lrocb_lidnr: 1396
Woonplaats: Hoele
Contacteer:

Re: Van Het tropisch noorden naar de zomerse oostkust van Australia

Ongelezen bericht door Penguin » do 30 nov, 2017 19:10

Mercie Yohani!
28/02 - Loss of a good friend...
​__m__( ͡° ͜ʖ ͡°)__m__
Afbeelding
In a time of chimpanzees, I was a penguin.

Plaats reactie